EEN LEVEN DAT GOED BIJ MIJ PAST

Sinds 2013 woont broeder Kees van de Wiel weer in Nederland. Hij heeft zijn stekkie gevonden op de Prins Bisschopsingel in Maastricht. Met zijn huisgenoot broeder Lo Koeleman bewoont en ‘bewaakt’ hij het hoofdkantoor van de Broeders FIC. Gelukkig heeft hij dubbele ramen, zodat het zeer drukke autoverkeer op zijn kamer nauwelijks hoorbaar is. Een kamer waarin de herinnering aan zijn dierbare Chili goed zichtbaar is: foto’s, gebruiksvoorwerpen en andere zaken van het mooie land en zijn bewoners, waar hij zich met hart en ziel voor inzette.

Een wens vervuld

“Na mijn opleiding tot timmerman door broeder Borgias Schrurs op onze vakschool in Maastricht, was ik kote tijd werkzaam op de timmerwinkel van De Beyart. Op een dag kwam ik de generaal overste broeder Avellinus Janssens op de benedengang tegen. Hij hield me staande en zei: ’Zeg, ga eens aan je ouders in Waalwijk vragen of ze het goed vinden dat jij in Chili gaat werken’. Ik was erg gelukkig met die vraag. Werken voor en met mensen in een van onze gebieden buiten Nederland was steeds mijn grootste wens geweest. Mijn ouders vonden het erg fijn dat mijn verlangen vorm werd gegeven.”

“Voor mij past het precies in mijn leven: me inzetten voor medemensen die het niet goed maken, naast hen staan, ze het gevoel geven dat ze als mens echt de moeite waard zijn. Meer dan vijftig jaar heb ik de kansen goed aangegrepen om in Chili hen dat gevoel mee te geven. Niet alleen in school met jongeren, maar ook in de beleving van hun rijke cultuur, uitdragen van hun folklore en hen concreet te helpen bij het opbouwen van een nieuw bestaan.”

Beruchte buurt

“Toen ik met broeder Aurelius Gilsing, na een wekenlange bootreis in Valparaïso in Chili voet aan wal zette, gaf me dat een gevoel van blijheid. We reisden naar Santiago, waar mij werd verteld dat ik mocht gaan werken aan onze technische school, genoemd naar de zeer sociaal bewogen Chileense jezuïet Alberto Hurtado. Meisjes en jongens kwamen daar om een vak te leren, zodat ze een beter leven konden gaan leiden dan hun ouders. In de wijk waar ons schoolgebouw lag, durfde de politie ’s nachts niet te komen vanwege gevaarlijke figuren die er daar rondliepen.

Broeder Aurelius en broeder Tatianus verzorgden de opleiding kleermaker en broeder Embertus en ik begonnen met het opleiden van jongens tot timmerman. Een paar jaar later mocht ik in Nederland een korte tijd de opleiding tot automonteur volgen, welk vak, autotechniek, ik op de Alberto Hurtadoschool ben gaan geven. Aan de hand van afgeschreven auto’s leerden we ze de betere technische en praktische kneepjes van het vak.”

“Een paar jaar later werd ik door broeder Lo Koeleman, de directeur van de school, benoemd tot hoofd van de technische afdeling. Ik vond dat een mooie baan die me in contact bracht met iedereen op school. Het gaf me ook een groter gevoel van betrokkenheid op leerlingen en leraren.”


Onderdrukking en verzet

“Die onderlinge aandacht en saamhorigheid op onze school was erg belangrijk doordat generaal Pinochet en zijn getrouwen de macht in Chili hadden overgenomen. In veel gezinnen en families kenden we mensen die in de gevangenis zaten, werden gemarteld en vermoord. Er hing een rotsfeer in Santiago en in heel het land.
Ter gelegenheid van de nationale feestdag organiseerden we voor de oudere bewoners van de wijk een feestmiddag. Daarvoor moest elke klas een bijdrage leveren met dans, zang of spelletjes. Het werd een groot succes!

Een groep die volksdans met veel enthousiasme had gepresenteerd, vroeg mij om hen te helpen daarmee door te gaan als folkloregroep op onze school. Ik zei er meteen ja op. Maar ik dacht in mijn achterhoofd ‘Dit kan nooit een lang verhaal worden’. Toch sloten steeds meer deelnemers zich bij deze groep aan. Omdat we weinig meisjes op school hadden, mochten de jongens ook hun zusjes meebrengen op de oefenavonden. Later sloten ook familieleden van de schooljeugd zich bij de folkloregroep aan.”

“Ik begon op de universiteit een opleiding in folklore te volgen, hetgeen een goede ondergrond was voor mijn inzet voor de groep. Ter ondersteuning van ons repertoire ging ik met de bandrecorder op stap en maakte opnames van liederen die overal werden gezongen. De mensen vertelden dan ook over hun gewoonten en gebruiken en van hun verlangen naar vrijheid. Dat maakte mijn verbondenheid met de Chilenen alleen maar groter.

Tegen alle verwachtingen in bleef de groep 24 jaar bestaan. In de folklorewereld van Chili waren we zeer bekend en traden we in menig theater in Santiago en omstreken met groot succes op.”

Inzet voor de bevolking

Ondertussen kwam ik in contact met Felix Rogiers, een Belgisch lid van de Internationale Bouworde. Hij was doende om een timmerwerkplaats op te zetten, waar jongeren leerden om meubels te maken. Dat interesseerde me heel erg en ik ging hem in de weekenden helpen: mensen instrueren hoe ze een eigen huis konden maken – fundamenten storten, muren van steen en hout optrekken en waterleidingen en elektriciteit verzorgen. We bouwden ook een watertoren en delfden een diepe waterput. Zo hielpen we 34 gezinnen aan een nieuw onderkomen, waar ze apetrots op waren. Ze deelden later hun ervaringen met hun buurtgenoten en bouwden met hen ook een eigen woning. De Bouworde beëindigde later dit werk. Felix ging zich inzetten voor de meest arme mensen die in de heuvels van Valparaïso woonden.”

“Bij de overname van de macht door Pinochet vroeg de ambassadeur van Nederland in Santiago aan onze broeders of er iemand was die de Chilenen die hun toevlucht in het ambassadegebouw hadden gezocht, van dienst kon zijn. Broeder Silvino van der Hart, de provinciaal overste, vroeg aan mij of ik dat op me wilde nemen. Ik voldeed namelijk aan de ‘eisen’ die de ambassadeur stelde: iemand die heel goed de weg ken in Santiago en omstreken, die goed Spaans sprak en auto kon rijden. Mijn opdracht was om op onderduikadressen van gevluchte Chilenen kleding en andere spullen te bezorgen. Dat was allemaal linke soep, want er was strenge controle door de militairen die Pinochet steunden. Ik denk later dat ik – onbewust – op deze manier waar heb mogen maken dat we als broeders solidair moeten zijn met armen en verdrukten.”

“Na mijn pensionering heb ik me ingezet voor een project voor boerenfamilies in de bergen. Ik leerde de vrouwen humus te maken, die dan met de grondaarde werd vermengd. Zo ontstond vruchtbare grond, waarop ze met succes landbouw konden beoefenen: voor hun gezin en voor de verkoop op de markt. Elders bouwden we samen glazen kassen, waarin sla, tomaten en groenten werden geteeld. Ik overnachtte dan in een eerste hulppost en ging in de weekenden naar mijn communiteit in Santiago.”

Broeder van mensen

Kees vertelt me dit alles met groot enthousiasme. Het is geen dikdoenerij van hem, zo voel ik het aan. Het is een verhaal van concrete hulp aan medemensen, gebruik makend van interesse in de eigenlandse cultuur en grote bewogenheid vanuit zijn hart, broeders van mensen te zijn.

Na zijn terugkeer in Nederland doet Kees vrijwilligerswerk in ons project ‘In de Rooden Leeuw’ in Maastricht. Hij zet zich daar in voor mensen met een geestelijke of lichamelijke beperking.

“Zo is de cirkel weer rond: op de plek waar onze Stichters zijn begonnen in 1840 kan ik ook mensen in mijn eigen land aandacht en genegenheid schenken.
Ik voel me daarbij een gelukkig en dankbaar mens. Al zestig jaar lang in het spoor van Louis Rutten en broeder Bernardus.”


Br. Wim Swüste