Ter nagedachtenis aan

Broeder Lex Weiler

Lex was organisator, stimulator, inspirator. De basis daarvoor werd gelegd in zijn Amsterdamse gezin waarin altijd reuring was. Aanvankelijk was het een rood nest, maar dankzij een miraculeuze genezing nam pa Weiler de grote stap naar de “Roomsen”. Lex zou het altijd blijven aandurven grote stappen te zetten. Hij hield van ongebaande wegen. En dat niet alleen met zijn wandelclub.

Dat bleek al op de Pius X school in Maastricht. Daar poetste hij een indertijd vergeten traditie op: de optochten met de Palmpasenhaantjes.

Vervolgens werd hij aangesteld als hoofd der school in een Schiedamse volksbuurt. Hij bleek een onvermoeibare organisator, die onder andere de brandweer les gaf en een kerkkoor oprichtte. Later zijn er nog zes andere koren tot leven gewekt door broeder Valerius – een toepasselijke naam voor iemand bij wie de muziek door de aderen stroomt.

De congregatie ontdekte Valerius als stimulator en toen een nieuw experimenteel noviciaat gestart zou gaan worden, werd al gauw aan Valerius gedacht, Zo kwam hij in Den Haag terecht, in de Noorderbeekdwarssraat.
Novicemeester en overste, dat vulde zijn bestaan niet. Hij werd lid van het pastorale team van de Agnesparochie, richtte Dienstencentrum Copernicus op en natuurlijk kwam er ook weer een koor: JENHKA. Dat koor bestaat nu nog steeds en in de traditie van Lex gaan zij ongebaande wegen: dragende kracht zijn voor de “Haagse Dominicus”, een kerkgemeenschap waar de liederen van Oosterhuis tot leven komen.

Hier begon zijn lijfspreuk “Ik zal er zijn” tot ontplooiing te komen. Overal was Valerius aanwezig, overal wilde hij iets zichtbaar maken van de Heilige Kracht in het brandende braambos. Het braambos staat voor de mensen die nauwelijks de moeite waard lijken, brandhout. Maar God is bij hen aanwezig en geeft ze nieuwe kracht. Deze spreuk zette Valerius in vuur en vlam en hij liet geen gelegenheid voorbijgaan om ook anderen met deze tekst te inspireren.

Tien jaar later werd Valerius uitgenodigd parochieleider te worden van de “Benedictus” in Rijswijk. Ook daar kon hij zich verder ontplooien. Hij werd de bezielende motor van een geloofsgemeenschap. Altijd was hij op zoek naar nieuwe wegen om mensen bij elkaar te brengen. Maaltijdprojecten, een stedenband met Tsjechië, het verzorgen van indrukwekkende uitvaarten. De krant kopte bij zijn afscheid: “Ik verzamel mensen!”

In 1994 trad er een nieuwe fase in. Na 20 jaar buiten het klooster gewoond te hebben – Brandtstraat en Loosduinse Hoofdstraat – werd door 6 broeders geprobeerd om het aloude klooster aan het Westeinde in Den Haag nieuw leven in te blazen. Het klooster kreeg een nieuwe naam, Stadsklooster, en ook Valerius zelf veranderde zijn naam en liet zich (weer) Lex noemen.
Hij was inmiddels met pensioen, maar het werd opnieuw: “Ik zal er zijn”. Met name voor vluchtelingen die hij via “Wereldvenster” met raad en daad bijstond. Er ontstonden prachtige verbindingen met mensen van overal. Lex was meer dan ooit inspirator, organisator, stimulator. Nog altijd op zoek naar ongebaande wegen: Internationale maaltijden, kapeldiensten, muziekavonden, kampweken. Daarnaast ondersteunde hij de oprichting van een “Haagse Dominicus”.

Vele jaren lang was Lex op zondag bij de Amsterdamse Dominicus. De wijze waarop daar de teksten van Oosterhuis tot leven kwamen raakten hem heel diep. Iemand die het Stadsklooster bezocht, kon nooit om het enthousiasme van het geloof van Lex heen. En altijd kwam het gesprek uit bij: “Ik zal er zijn”.

De laatste jaren in Maastricht waren heel moeilijk voor Lex. Maar ze waren te dragen door de goede zorg van De Beyart en door het vele bezoek van zijn geliefde geassocieerden, vrienden en vriendinnen.
Zij maakten voor Lex waar: “Ik zal er zijn.”
En nu kunnen wij zeggen: “Hij is er. “
Lex is er voor Hem/Haar,
Hij/Zij is er voor Lex.

Allen in Alles zullen wij zijn.