IN MEMORIAM BR. ALBERT KETELAARS

Hij is geboren op 14 maart 1942 in Veghel.
Op 15 augustus 1962 legde hij zijn Eerste Geloften af bij de Broeders FIC.
Hij overleed op 3 november 2017 te Maastricht.

Op de kaft van uw boekje bij deze viering, staan twee mannen afgebeeld. Ze zijn radeloos en ook helemaal doelloos. Hun vertrouwen in de toekomst bijna zoek, want hun goede vriend en inspirator is dood. Dan voelen ze, dat iemand hun tochtgenoot wordt. Ze mogen Hem over hun verdriet en teleurstelling vertellen. Er wordt naar hen geluisterd en er klinkt een woord van troost. Thuis aangekomen voelen ze opeens dat hun dood gewaande vriend met hen meeliep. Een golf van nieuwe moed en blijdschap overspoelt hen. Hun vriend is niet dood, maar leeft!

In zijn laatste wilsbeschikking vroeg Albert, van wie we nu afscheid nemen, of bij zijn uitvaart het verhaal van deze twee mannen kon worden voorgelezen.
Ergens schrijft hij : “Ik wil eerlijk zeggen dat dit verhaal me zeer dierbaar is geworden. Het verheldert de mysterieuze manier waarop God elke mens, elke dag begeleidt. Heel vaak heb ik in mijn leven eenzelfde ervaring gehad. In tijden dat het me niet goed ging, kwamen er onverwacht mensen op mijn weg die geduldig konden luisteren, die open stonden voor mijn problemen. Eigenlijk wens ik iedereen, zulke diepmenselijke ervaringen toe. Het zet je weer op weg. Je wordt als het ware opnieuw mens.”
Albert vergeet er dan bij de schrijven, dat hijzélf ook vaak zo’n goede luisteraar was voor anderen. En dat maakte hem zo geliefd bij velen. Dat is ook de reden dat we in deze donkere dagen, zo verdrietig zijn omdat we deze lieve en kostbare man moeten loslaten.

Albert komt uit een mooi, hecht, Brabants gezin. Een boerderij: dieren en gewassen, samen leven en werken in alle eenvoud. Hij wordt geïnspireerd door de broeders op de lagere school. Hij ziet hoe die met elkaar omgaan: geen flauwe kul, hard werken, goed zijn en goed doen. Zó leven ziet hij als zijn ideaal. Op 1 september 1954 gaat hij naar het juvenaat in Zevenaar. En op 15 augustus 1962 belooft hij zijn medebroeders om een trouwe tochtgenoot te zijn. Na 55 jaar mogen we vaststellen dat hij zijn beloften écht heeft volbracht. Albert zegt en schrijft herhaaldelijk dat hij zijn tochtgenoten: familie, medebroeders en vrienden, hiervoor zeer dankbaar is.

In 1966 krijgt hij van zijn overheid te horen dat hij in Dublin mag gaan studeren, om daarna in november 1970 naar Ghana te vertrekken. Nandom wordt zijn eerste standplaats. Hij wordt docent, en later directeur, aan de Nandom Secundary School. In zijn ‘status’ van de FIC lees ik, dat hij in dat jaar ook meteen lid wordt van het regionaal bestuur. Ze hadden meteen door, waar zijn rijke kwaliteiten lagen.
Maar bij hemzelf, heerst dit gevoel allerminst. In 1976 raakt hij in een diepe crisis, waarover hijzelf heel openlijk schrijft: “We hadden in die jaren in Ghana een militair bewind. De meesten van onze toenmalige ministers gingen er prat op dat ze op ‘missiescholen’ waren opgeleid en gevormd. Die trots kon ik absoluut niet delen. Daar zát ik als directeur van zo’n missieschool en leidde blijkbaar mensen op om op dictatoriale en mensenrechten schendende wijze, Ghana te besturen. Ik voelde me in mijn taak en als persoon, verschrikkelijk onzeker worden. Waar was ik in godsnaam mee bezig? Had ik wel genoeg oog voor de armen en kanslozen? Wat deed ik met de opdracht van onze stichter br. Bernardus, om steeds op te komen voor de zwakkeren om ons heen?
Ik ging naar Mgr. Dery, de voorzitter van het schoolbestuur, en diende mijn ontslag als directeur van de school in. Dat accepteerde hij niet en vroeg me eens goed na te denken over mijn taak als Broeder FIC. We hadden samen nog veel gesprekken en hij bracht me op een keerpunt in mijn denken. Dat leidde tot een nieuwe visie op onze school en in de FIC-provincie Ghana.
Als ik terug kijk op die duisteren periode in mijn leven, moet ik denken aan die twee mannen die radeloos naar Emmaüs lopen, en door een welwillende vreemde worden bevraagd en bemoedigd en opnieuw op mijn levensweg gezet.”

Alberts leven kreeg hierna meer diepgang. Op bijeenkomsten, bij lezingen en in interviews die hij gaf, pleitte hij voor aandacht voor de mensen die we niet mee laten tellen. Een houding die hij ook steeds benadrukte toen hij twaalf jaar lang provinciale overste was in Ghana. Daarbij nam hij nooit een blad voor zijn mond: “Ik ben geen paradepaardje bij bijeenkomsten van bisschoppen en ministers”. “We moeten als religieuzen een eenvoudige levenswijze hebben, en niet lopen te paraderen met mooie fototoestellen of andere dure apparatuur om onze hals.”

Bij het generaal kapittel 1994 werd hij gekozen tot generaal overste, tot voorzitter van ons eerste, internationaal samengestelde, bestuur. Albert vond dat dit een moeilijke opdracht was. Hij stemde toe, maar vroeg tevens om drie maanden lang de kans te krijgen om zich in Engeland op zijn leven te bezinnen.

In 2007 nam hij wederom een bezinningsjaar en volgde in Wales een dertig-daagse retraite in stilte. Tijdens dat jaar maakte hij ook de voettocht naar Santiago de Compostella.
Hij was een man die steeds meer voelde dat hij alleen maar goed functioneren, wanneer zijn geestelijke bagage op orde was. Goed toegerust zijn. Je leven serieus nemen. Blijven lezen. Dagelijks trouw je gebedsleven verzorgen. Zin of geen zin.

Hierna gaf hij negen jaar lang leiding aan het ‘Johannes XXIII centrum’ in Wa. Hij probeerde daar als pastor bij de studenten met een christelijke en moslim achtergrond onderlinge verdraagzaamheid en begrip te bewerkstelligen, in de geest van de wijlen Ghanese kardinaal Dery.

In 2017 neemt Albert met een groot gevoel van dankbaarheid afscheid van medebroeders, studenten, vrienden en vriendinnen in Ghana. Een kostbare man van deze FIC-provincie keert terug naar zijn geboortegrond. Vanaf februari loopt hij zijn levensweg mee met z’n medebroeders van de Capucijnengang in Maastricht. Over en weer zijn de verwachtingen hooggespannen: zijn rijke kwaliteiten van geest en hart zijn in onze kwetsbare, ouderwordende Nederlandse provincie zeer welkom.

De weg die hij gaat afleggen wordt in wezen een lijdensweg. Hij wordt geconfronteerd met allerlei lichamelijke klachten. Er wordt een aanzet van parkinson geconstateerd, waar hij het erg moeilijk mee heeft, met het beeld van de laatste levensjaren van zijn vader voor ogen.
De vele bezoeken die hij aan het UMC Maastricht aflegt zijn vaak met een onduidelijk resultaat. Elk dag om zes uur staat hij op en gaat naar de benedenzaal van In de Rooden Leeuw, waar in 1840 onze congregatie startte, om daar zijn vaak pijnlijke en afmattende gymnastiekoefeningen te doen. Deze weg doorloopt hij manmoedig: hij klaagt zelden, blijft belangstellend naar anderen en blijft hartelijk en opgewekt in de omgang. Zijn familie en medebroeders, die allen een warme plek in zijn hart innemen, zijn hem daarbij tot trouwe steun.

Vrij onverwacht nam de Eeuwige Albert tot zich, tot groot verdriet van zijn vele tochtgenoten, dichtbij en veraf. Tijdens de Avondwake, gisteren in onze communiteit, zongen we met tranen in onze ogen: “Geen vrees of onheil doet hem beven, geen ziekte, waar een mens van breekt. Hij voelt zich blijvend in Gods Hand geschreven en vertrouwt vast op het schild van God dat hem omgeeft.”

We blijven Albert dankbaar voor zijn leven onder ons. We vertrouwen er vast op dat Albert bij de Eeuwige, die hij zo trouw diende, in alle vrede van zijn eeuwige rust mag genieten.

Wim Swüste FIC


VOORBEDEN TIJDENS DE UITVAART

Eucharistie is dankzegging. Op de rouwkaart zegt br.Albert/Bert:
Ik ben allen die met mij meeliepen op mijn levensweg niets dan dank verschuldigd.
En zij allen zijn hem dankbaar dat zij zijn tochtgenoten mochten zijn: zijn familie, medebroeders, studenten, en zo vele anderen.
En nu erkennen we God, die ons aller dankbaarheid waardig is:

1 Genadige God, wij zeggen U dank voor de ouders van Albert, die hem met veel liefde en toewijding hebben grootgebracht, gesteund en bemoedigd op zijn levensweg – met wie hij nu bij U verenigd is.
Wij bidden u voor de achtergebleven familieleden:
dat zij getroost en gesterkt mogen worden
dit groot verlies gelovig te kunnen verwerken –
en in zijn geest dankbaar voortgaan op hun levensweg

2 Genadige God, wij danken U dat U Albert gezegend hebt met een rijke begaafdheid waarmee hij velen van dienst heeft kunnen en willen zijn
als onderwijzer, als missionaris, als leider van onze Ghana Province en als Generale Overste van onze Congregatie.
Wij bidden u voor allen die hij met hart en ziel heeft welgedaan, dat zij hem dankbaar blijven herinneren en in zijn geest voortgaan op hun levensweg.

3 Genadige God, wij danken U voor de diepgelovigheid van Albert waardoor hij de Heer zo vaak heeft mogen ontmoeten in tijden van stilte en gebed, in tijden en plaatsen van geestelijke vernieuwing met ‘brandend hart’, waardoor hij velen kon inspireren tot spirituele diepgang.
Wij bidden U dat zij met ‘brandend hart’ ontvankelijk blijven voor de Heer en hoopvol met Hem voortgaan op hun levensweg.

4 Genadige God, wij danken voor de sociale bewogenheid waarmee U Albert hebt bezield – waardoor hij als echte broeder van mensen in woord en daad dienstbaar kon zijn speciaal aan hen met problemen, mensen in nood, en kansarmen - in de geest van onze Stichters.
Wij bidden U,
dat ook zij - bewogen door Gods geest van goedheid -
een zegen mogen zijn voor de tochtgenoten op hun levensweg.

Slot:
Genadige God, Bron van alle leven en liefde,
wij danken U voor wie Albert heeft mogen zijn, wat hij heeft mogen doen – met uw genade – ‘omwille van uw Rijk’ in de wereld waarin hij het beste van zichzelf heeft gegeven.

Moge hij nu als uw gezegende zijn binnengegaan in uw huis van eeuwig licht en leven, van vriendschap en vrede zonder eind.

En mogen ook wij aan het einde van onze levensweg thuiskomen bij U ons aller Vader.
Zo bidden wij U in Jezus’ Naam.
Amen

(br. Alfred Fest)