IN MEMORIAM

BROEDER AVELLINUS JANSSENS F.I.C.

Amsterdam, 5 december 2017

Beste Familie, Vrienden en Medebroeders van Avellinus,

In een van de parabels van Jezus worden drie mensen opgevoerd. Elk krijgt een of meer talenten toevertrouwd. Twee werken er goed mee, een ziet het niet zitten. Wat mij treft in deze parabel is dat men niet beloond wordt naar rato van de opbrengst, maar dat het om de trouw gaat, waarmee iemand de toevertrouwde gaven heeft gebruikt. Het aantal doet er minder toe. Zij die zich oprecht hebben ingezet horen hetzelfde: Uitstekend, goede en trouwe dienaar/dienares. In het kleine ben je betrouwbaar geweest, over veel zal ik je aanstellen. Treed nu binnen in de vreugde van je Heer.

Onze dierbare Avellinus was gezegend met vl talenten, gaven waarmee hij uitstekend gewerkt heeft. Hij heeft echter steeds dieper beseft, dat het niet gaat om het WAT maar om het HOE. Je diepere motivatie, de bron van waaruit je leeft en werkt n lijdt n geniet n liefhebt bovenal - dt bepaalt de kwaliteit, de echte waarde van je leven.

Avellinus was een mens van vlees en bloed, die veel vreugde en voldoening in zijn leven kende, die ook intens verlangde naar geborgenheid en intimiteit, die zich met zijn familie zr verbonden voelde en met vele, vele andere mensen.
Avellinus, die in dat alles k veel eenzaamheid, onbegrip en pijn heeft gekend. Hij zei eens: Ik ben altijd bang geweest voor kritiek en gevoelig voor spot. Maar hij kon ook zeggen: Ik voel mij nu gedragen door mensen die onmiskenbaar om mij geven en voor wie ik duidelijk iets beteken...

Avellinus, een mens die mr dan een eeuw mocht leven, die veel heeft gezien en ervaren. Hij heeft ook veel moeten loslaten en ja moeten zeggen op nieuwe situaties. Hij is gegroeid in wijsheid, in ervaring en in diepte van verstaan - maar bleef de man waarvan vrienden met een glimlach zeiden: God weet alles, maar Avellinus weet nog meer! Hem was niets menselijks vreemd: zijn karakter n zijn goede kanten:

Mensen vertellen mij, soms met verbazing maar altijd met bewondering, hoe trouw Avellinus was: eenmaal bevriend liet hij je niet meer los. Zijn correspondentie was zeer omvangrijk, want op elke groet, elke goede wens, elke informatie reagrde hij, al was het maar met enkele welgemeende woorden.

Geboren in Haarlem in 1916, maakte Avellinus bij het begin van zijn religieuze leven qua gezondheid geen veelbelovende start. Door ziekte in zijn vormingstijd heeft hij na een onderbreking zelfs een nieuw begin moeten maken.

Avellinus was een goede student, was wat introvert, een denker meer dan een doener, die zijn diplomas op pedagogisch vlak makkelijk behaalde.
Na slechts enkele jaren in de praktijk van de lagere school werd hij benoemd tot inspecteur van ons eigen onderwijs om op die manier bij te dragen aan de kwaliteit van het werk van zijn medebroeders. Dat was overigens geen gemakkelijke job, want het schijnt tot een van de eigenschappen van schoolmeesters te horen dat ze, als lopende vraagbaak voor hun leerlingen, het gevoel hebben alles zlf het beste te weten. Het vroeg van Avellinus daarom extra tact om z advies te geven, dat de ander zich niet betuttelt maar bevestigd en gestimuleerd voelde.

In 1958, in de kracht van zijn leven, werd hem de taak van generale overste van onze Congregatie toevertrouwd. We waren toen met een kleine duizend broeders en het gonsde in onze hle samenleving van verlangen naar verandering en vernieuwing - zo k in onze eigen gelederen. Het tweede Vaticaans concilie was nog niet aangekondigd, maar de Geest was al volop aan het werk.

Avellinus probeerde de tekenen van de tijd te verstaan en verlangde - zeker toen het startschot voor het Concilie had geklonken - volop m te gaan met de nieuwe wind, die steeds sterker ervaarbaar werd. Hij zag spoedig in hoe belangrijk goede vorming, met name ook op spiritueel gebied, voor onze broeders was en heeft verschillende initiatieven genomen om daaraan vorm te geven. Ook al kwam n van zijn initiatieven, een derde (vormings)jaar, niet goed van de grond, op ndere manieren heeft Avellinus en zijn medebestuursleden eveneens grote moed getoond. Zo werd bij voorbeeld een groot aantal broeders aan academische studies gezet. We hebben daarvan bij vernieuwingskapittels en andere gelegenheden veel voordeel gehad. Dat we bij dit op zich goede beleid ook een aantal veelbelovende medebroeders onze gemeenschap hebben zien verlaten, zal ook Avellinus veel pijn hebben gedaan. Waarschijnlijk hadden wij als gemeenschap te weinig psychologische en spirituele begeleiding in huis om studerenden te helpen goed om te gaan met de grote openheid en vrijheid van de academische wereld.

De eigen openheid van Avellinus bleek ook uit zijn inzet om te beantwoorden aan de destijdse pauselijke oproep om missionair mr te doen voor Afrika. In de twintiger jaren waren wij als Congregatie al naar Indonesi gegaan en in de vijftiger jaren vertrokken onze eerste broeders naar Chili. Maar tijdens het bestuur van Avellinus is Afrika zeer in het vizier gekomen. Malawi, Sierra Leone en Ghana kregen de volle aandacht, soms mr dan kapittels mogelijk en wenselijk achtten. Daarnaast breidden we ons werkterrein k nog uit naar het door de islam gedomineerde Pakistan.

En van de moeilijke opgaven voor Avellinus tijdens zijn tijd als generale overste was het organiseren van onze apostolaire inzet: het optimaal gebruiken van de kwaliteiten en bevoegdheden van zijn medebroeders in de vele scholen en andere projecten waar wij verantwoordelijk voor waren. Dat vroeg om een grote mobiliteit van ons allen. Jaarlijks werden vele broeders verplaatst ten dienste van een optimale apostolaire inzet en het goed functioneren van onze leefgemeenschappen.
Het zal niemand verbazen dat dit vaak veel moeite en pijn heeft veroorzaakt. Projecten of situaties die in jaren waren opgebouwd moesten vaak op korte termijn weer losgelaten worden. Op onze goede momenten zagen wij wel in dat deze vaak diep insnijdende beschikbaarheid goed en noodzakelijk was, maar de pijn van het moeten loslaten bleef - ook al bleek niet zelden de vruchtbaarheid van deze mobiliteit.

Van Avellinus is bekend, dat dit alles ook hm veel zorgen baarde, temeer omdat het, vanwege vertrouwelijkheid, vaak niet mogelijk was het waarm van een verandering uit te leggen..
Jaren later vroeg Avellinus zich ng hardop af: Heb ik echt goed genoeg naar mensen geluisterd? Heb ik me genoeg in hun situatie ingeleefd ? Heb ik mensen niet tekort gedaan ?

Zijn verlangen goed naar de vragen van mensen te luisteren bleek onder andere ook uit zijn inspanningen om degenen die onze Congregatie in alle zoeken en tasten verlaten hadden de hand te blijven reiken en hen een band van blijvende verbondenheid aan te bieden. Hoe juist en waardevol dit is geweest mag wel blijken uit het feit dat nu, na meer dan vijftig jaren, dit verband, de Kontaktgroep, nog steeds bestaat en lft.

We spraken al over een vernieuwd missionair beleid. Dit bleek Avellinus op het lijf geschreven. Ook na zijn tijd als generale overste, na 1970, heeft hij zich blijvend ingezet om eigentijdse visies op wat missionair-zijn betekent te bevorderen. Dat deed hij, samen met medebroeders, door het verzorgen van ondersteunende informatie en inspiratie voor onze eigen broeders. Het zogenoemde Orintatie-centrum van de Broeders van Maastricht heeft jarenlang gefunctioneerd. Daarnaast werkte Avellinus ook in groter verband, onder andere voor het Missionair Centrum in Heerlen. Hij had een fijne neus voor mensen die de moed hadden om traditionele opvattingen kritisch te evalueren en die nieuwe wegen durfden gaan.

Die sensitiviteit bleek ook bij een van zijn andere grote liefdes : publicitair werk. Via zijn goede contacten met de mensen van een uitgeverij met een breed spectrum op spiritueel gebied, heeft hij ook zlf enige boeken gepubliceerd - boeken die getuigen van zijn diepe reflectie, k op ons eigen religieuze leven. De nog op stapel staande publicatie over de spiritualiteit van religieus celibaat daarvan misschien wel het meest treffende voorbeeld.

We mogen hier ook zeker niet vergeten zijn deelname aan de broedergemeenschap in de Indische Buurt, de Roomtuintjes: een eigentijdse vorm van missionaire presentie in een seculariserende samenleving. Ook na de opheffing van deze gemeenschap bleef Avellinus zich hier inzetten voor liturgische vernieuwing en gemeenschapsopbouw.



Christus-afbeelding in gebedsruimte van "Roomtuintjes"
   Zo zou er nog veel mr over onze dierbare overledenen gezegd kunnen worden. Maar dat is niet nodig, want ik zie de genoemde en andere zaken vooral als tastbare gestalten van wat Avellinus bezielde: een intens verlangen om vanuit verbondenheid met Christus te leven. Dt gaf de echte kwaliteit aan zijn leven.

Wat Paulus durfde zeggen: Ik leef niet meer, Christus leeft in mij, zou Avellinus misschien niet hardop durven nazeggen, maar het was wl zijn diepe verlangen. Ok toen zijn krachten onvermijdelijk afnamen, k toen hij leed onder veel fysieke pijn. Hij heeft zich toen graag toevertrouwd aan de trouwe en liefdevolle zorg, allereerst van Zr. Zo, die hem zeer dierbaar was, en ook van zoveel nderen, die hem vaak jarenlang en vol genegenheid nabij zijn geweest.


Goede en betrouwbare dienaar, in het kleine ben je trouw geweest... Kom nu delen in de vreugde van je Heer...
In deze vreugde is Avellinus nu ongetwijfeld binnengegaan.


Johan Muijtjens f.i.c.