terug

In memoriam broeder Bernardino (“Peer”, “Gerrit”) Otten

“Overal komen geluk en genade
mij tegemoet, mijn leven lang.”


Lieve Peer, lieve Gerrit,

Bernardino OttenDeze passage uit psalm 23 stond boven je rouwbrief. Hij is toepasbaar op jouw leven. Teleurstellingen en verdriet zijn je niet bespaard gebleven, maar het geluk en de genade hebben de boventoon gevoerd. Je contacten met mensen, vooral met de gewone mensen in Pakistan, hebben je gelukkig gemaakt. Je bent een rijk en begenadigd mens geworden.

Zoon van een bierbrouwer
Je bent op 9 maart 1925 in Duiven geboren. Je was de vijfde uit een gezin van acht kinderen – vijf jongens en drie meisjes -, waarvan nu nog alleen je jongste broer Toon uit Rijkevoort in leven is. Je vader was bierbrouwer met een eigen handel in dranken “De Star”.

Vanaf de vierde klas ging je naar het pensionaat van de Broeders FIC in Wehl. Daar leerde je de broeders kennen en in 1940 zette je de eerste stappen om zelf broeder te worden. Je ging naar de vakschool van de broeders in Maastricht en werd opgeleid tot timmerman. Dáár heb je de naam “Peer” gekregen, omdat een andere jongen die net was weggegaan toen jij kwam Peer van Otten heette. Die naam heb je altijd behouden. Maar je bleef natuurlijk “Gerrit” voor je familie. Op 15 augustus 1945 deed je je eerste professie als broeder Bernardino.

Geloof, dienstbaarheid en goedheid
Je leven werd gekenmerkt door een rotsvast geloof, een grote dienstbaarheid en een warm menselijke goedheid. Iemand helpen stond jou op het lijf geschreven. Je hebt dat altijd gedaan, heel gewoon en vanzelfsprekend en zonder ophef of kouwe drukte.
We hebben je leren kennen als een man van goud: eerlijk, betrouwbaar, met een grote liefde voor mensen, met name die in een achterstandssituatie.
De eerste zeventien jaar van je broederleven heeft de congregatie je ingezet in de keuken en het huishoudelijk werk, terwijl je was opgeleid tot timmerman. Dat heb je zonder veel morren gedaan.
Maar gedurende je 23-jarige verblijf in Pakistan heb je je vele menselijke en praktische kwaliteiten pas werkelijk kunnen ontplooien. Aanvankelijk ging jouw missie daar niet van een leien dakje. De eerste jaren kreeg je niet veel ruimte en heb je een heel vervelende tijd meegemaakt. Je hebt vaak verzucht: “Wat doe ik hier eigenlijk?”
Toen je mocht gaan bouwen en met de door jou geliefde Vlaamse paters Kapucijnen ging samenwerken, bloeide je op en kreeg je de kans om je eigen verantwoordelijkheid te nemen. Zo werd je bouwheer en verbouwer van vele “monumenten”: een ziekenhuis, een internaat, klaslokalen, kerken en kloosters. Maar belangrijker dan jouw bouwactiviteiten was dat je je thuis voelde in de omgang met gewone Pakistaanse mensen. Praktisch iedereen kende jou als “Brother Peer” en hield van jou. “Peer” , door de Pakistani op zijn Engels uitgesproken als “Pir” betekent in het Urdu “heilige man”. En zo zagen de gewone mensen jou: als een goede , eenvoudige en heilige man.

Een echte religieuze mens
Ook je medebroeders in Pakistan hadden grote waardering voor jou. Broeder John Hetem, de toenmalige regionale overste, richt zich tot jou in een brief van 14 augustus 1974, toen je na je verlof in Nederland bijna een jaar lang zat te wachten op je re-entry permit, met de volgende woorden:
“Ik heb er nooit een geheim van gemaakt, dat jij hier in Pakistan nodig was, erg hard nodig. Mogelijk heb jij gewoon door je voorbeeld van ‘harde werker zonder veel flauwe kul’, van de broeder die duidelijk liet merken dat hij aan de kant van de gewone man stond en zich bij de gewone Pakistaanse mensen ook thuis voelde, wel meer betekend dan alle anderen samen.”
En in de regionale nieuwsbrief van 25 augustus 1974 schrijft dezelfde John Hetem aan zijn medebroeders: “Peer was populair bij de paters en de mensen waaronder hij werkte. Niet om zijn eruditie of zijn grote vakbekwaamheid, maar om zijn eenvoud, zijn dienstbaarheid en zijn eerlijke pogingen een goed religieus te zijn. Peer was meer missionaris door zijn voorbeeld als mens dan door de “monumenten” die hij gebouwd heeft.”

Teleurstellingen
Peer, je leven was niet allemaal rozengeur en maneschijn, zo zeg je zelf in je dankwoord bij je 50-jarige professiefeest:
“Er waren ook droevige dagen. Toen ik jonge broeder was, stierf plotseling Vader en ik mocht niet naar de begrafenis. Toen ik in Pakistan was, is mijn moeder gestorven. Begrip en menselijkheid stond vroeger in de congregatie op een zeer laag pitje en dat heeft mij veel verdriet gedaan.
Ook was er verdriet in de vorm van teleurstellingen, niet begrepen worden, het niet aankunnen van werkzaamheden ook al wilde ik nog zo goed.
Maar vandaag – 50 jaar broeder – zie ik het heel anders. De narigheden zijn in mijn leven toch uitgelopen op: vrede, geluk en dankbaarheid.”
Je hebt ook duidelijk geleden toen je in 1974 een jaar lang in Nederland op je visum moest wachten voor je weer naar je geliefde Pakistan kon vertrekken. Je had de hoop al opgegeven. Ook heb je in 2007 een hele lange periode in het ziekenhuis gelegen en letterlijk de dood voor ogen gehad.

Een man van gebed
Verdriet en teleurstellingen genoeg, maar je bent er nooit aan onderdoor gegaan. Je hebt altijd troost en steun gezocht in je gebed tot Padre Pio, de Italiaanse kapucijn met de wondetekenen in zijn lichaam. In september 1995 heb je een pelgrimage mogen houden naar Assisi en Padre Pio. Dat vond je geweldig!
Je bent altijd een diep gelovig mens geweest, eenvoudig en zonder poespas. Naast en tijdens je werk heb je ook veel gebeden. Je was ervan overtuigd, dat je niets hebt kunnen doen zonder Gods hulp.

Een ‘gouden’ medebroeder
Ook op de communiteit van Nijmegen-Sterreschansweg heb je vanaf 1986 een positief stempel gedrukt. Je deed er allerlei klusjes voor het huis en voor de broeders. Je stond altijd klaar in veel verschillende varianten: tuinman, bloemenverzorger, weekend-kok, ziekenbroeder, verzorger van graven, keldermeester, schilder, beeldenmaker, timmerman, inpakker bij verhuizingen. Met grote trouw verrichtte je al die taken, waarvan je medebroeders soms nauwelijks wisten dat je ze allemaal deed. In lokale beraden stelde je je bescheiden op, maar je kwam altijd eerlijk voor je mening uit en liet niet over je lopen. Iedereen wist wat hij aan jou had.
En je bent de eerlijke, hulpvaardige en belangstellende Peer gebleven, ook toen je in 2007 na een lange ziekenhuisperiode naar het St. Jozefklooster hier in Hees verhuisde. Je naam werd wat officiëler: broeder Otten. Je werd door de paters en broeders van de priesters van het H. Hart (SCJ) liefdevol als medebroeder opgenomen. Je voelde je thuis en voor hen bleef je broeder Peer.

Tot in lengten van dagen
Je hebt, zoals gezegd, de nodige teleurstellingen gehad in je leven. Maar ook veel geluk ervaren: in je omgang met mensen - vooral de gewone mensen in Pakistan maar ook in Nederland op de plaatsen waar je hebt gewerkt -, in je religieus-zijn en je relatie met God, in je contacten met je familie en je medebroeders.

Psalm 23 zegt het zo:
“Overal komen geluk en genade
mij tegemoet, mijn leven lang.
En altijd kom ik terug in het huis
van de Heer, tot in lengten van dagen.”

Jij hebt nu jouw Thuis gevonden.
De Heer zal je verwelkomen en opnemen in zijn oneindige Liefde.

Nijmegen, 19 oktober 2012
Br. Frans School

naar boven