terug

IN MEMORIAM

Broeder Edmundo de Bresser

. Geboren op 27 maart 1922 in Oirschot.
Hij legde zijn Geloften af op 15 augustus 1943.
Op 6 augustus 2013 overleed hij in De Beyart te Maastricht.

In een eeuwenoud lied zingt onze kerkgemeenschap: ‘Waar aandacht en liefde voor de medemensen is, daar is God aanwezig.’
Over de liefde ging het ook in de lezingen die u zojuist hoorde. ‘Als ik de liefde niet heb, ben ik slechts een dreunende gong.’ ‘Kinderen’, hoorden we, ‘zijn als een symbool van Gods aandacht en punt van zorg en toewijding voor ons. Elk mensenkind is uniek, belangrijk, met recht op een gelukkig leven’. Dát hield de Man van Nazareth ons voor.

Jullie broer, oom en onze medebroeder heeft in deze levenshouding gestaan. Hij wist dat iedere mens die hij ontmoette – bijzonder de zwakke en nietige mens – behoefte heeft aan liefde. Bert de Bresser had veel liefde te geven. God was voor hem de bron van liefde, de kracht tot liefhebben. Hij begreep dat hij die God van ‘Ik zal er zijn voor jou’ moest navolgen. Door er te zijn voor jullie en voor de mensen die zijn levenspad kruisten in Nederland, Spanje en Chili. In dit uur van afscheid en uitvaart, eren we hem om die kracht van liefde en danken we hem ervoor.

Bert is op 27 maart 1922 geboren in Oirschot. Het gezin de Bresser was negen kinderen rijk. Zijn vader, die erg creatief was in het verdienen van de kost als ondermeer, kweker van nertsen, tuinman en bakker, overleed op jonge leeftijd. Zijn moeder, die heel met Bert op had, mocht hij nog op hoge leeftijd bij zich houden. ‘Onze Bert lijkt precies op ons moeder’. En daar bofte hij mee. Drie zussen van hem volgden de opleiding tot onderwijzeres bij de zusters in Oirschot. En ook zijn twee broers die naar het juvenaat van de broeders gingen, werden onderwijzer.
Bert wilde ook graag broederonderwijzer worden. Maar de directeur van de Kweekschool in Maastricht, ‘Pa Loyola’, was van mening dat hij beter een ander vak kon leren. Het werd: kleermaker. Dat was voor Bert een heel groot kruis, dat hij maar moeilijk kon dragen.

Na zijn professie in 1943 werkte hij kort op de kleermakerij in De Beyart. Hij ging werken op het Instituut voor Doven, waar hij zijn bevoegdheid tot ‘meester-kleermaker’ behaalde. Toen hij in 1956 aan de Generale Overste ging vragen of hij nu ook zijn diploma mocht halen om in het kleermakersvak les te geven, kreeg hij tot zijn verbazing te horen dat men andere plannen met hem had. Hij mocht naar Chili, waar hij Spaans zou leren van br. Bonaventura Meijs en hij kon daar ook zijn onderwijsbevoegdheid halen. Zijn moeder stemde met zijn nieuwe opdracht in. ‘Nu madde tóch nog het onderwijs in, jong! Krek wat ge altijd gewild hebt,” was haar reactie. In september van dat jaar ging hij per vrachtboot ‘De Nestor’ naar Chili in het gezelschap van drie medebroeders. Ze arriveerden daar na een zeer avontuurlijke en stormachtige reis.

Vanaf het begin wordt Bert getroffen door de nood en de armoede van de mensen en kinderen die hij ontmoet op school en op straat. In de jaren 1976 tot 1997 zal hij deze bewogenheid vooral vorm geven in zijn inzet voor de kinderen met een geestelijke beperking in Buin. In de leidraad voor ons leven als broeder, onze Konstituties, staat: “Wij noemen ons broeders en willen ook werkelijk broeders zijn van elkaar en van alle mensen. Liefde ontvangend en liefde gevend”. Bert zei daar zelf eens over: “In opvoeding en onderwijs bereik je niet te veel met een harde hand en met ongeduld. Je moet de kinderen die niet goed meekunnen, langzaam laten ontdooien. Ik had dat blijkbaar in me om dat te laten gebeuren. Het lot van deze kinderen sprak me erg aan. Is het geen roeping voor ons allemaal om kleine mensen te bevrijden uit onmenselijke situaties? Hoort het niet tot onze roeping om overal gerechtigheid te laten geschieden en Gods liefde overal aanwezig te laten zijn?
Onze bisschop Mgr. Gonzalez zei me eens: ‘Je moet je realiseren dat je bij het ouder worden steeds meer middelen en mogelijkheden verliest. Maar als je je blijft openstellen voor de noden van anderen, word je gevoed en gevormd en verval je nooit tot middelmatigheid.” Samen met een groep medebroeders in Buin leert hij deze kinderen om op een eenvoudige wijze werkzaamheden te verrichten, waarmee ze later zelfstandig hun kostje kunnen verdienen. “En je moet je dan als buitenlander goed realiseren dat je een lap bent op het gat in iemands broek,” voegde Bert daar heel realistisch aan toe.

Bij een bezoekje aan zijn hobbyruimte, zo’n tien jaar geleden, liet hij me een doosje zien met erin twee mesjes. “Die stuurde me ons moeder in 1936 op toen ik naar het Juvenaat ging. Ze schreef erbij ‘dat dit was om mee te knutselen’. Ik gebruik ze nu nog steeds als ik houten beelden maak.” Hij keek me daarbij aan met zijn wat gebogen rug en met tranen in zijn ogen. “Ach, ons moeder ….” “Ik heb altijd veel liefde gehad voor de natuur. Dat heb ik van huis uit meegekregen. Gods schepping, mens en natuur, houdt me op de been”.
Hij laat me enkele van zijn kunstwerken zien: een lijdende mens, met aan een kant een Christus figuur en een Chileense man die gemarteld wordt. Ze staan met hun ruggen tegen elkaar aan. “Wat is het toch vreselijk wat mensen elkaar aan kunnen doen, hè!” Hij vervaardigde Maria-afbeeldingen, waarvan er een op de bovengang van onze Beyart staat. En een mooi groot beeld in de vorm van een kaarsenhouder, met de uitbeelding van onze drie geloften en mensenfiguren. Bij het heengaan van zijn medebroeder en broer Theobald werd dit beeld in ons mortuarium geplaatst.

In ontmoetingen toonde Bert zich een ontwapenende, kinderlijk vriendelijke man, met de uitstraling van Brabantse gezelligheid en gemoedelijkheid. Hij had steeds iets van onzekerheid over zich. Vinden ze het wel goed wat ik maak? Stellen ze wel op prijs wat ik doe?
Maar van de andere kant kon hij ook onverzettelijk zijn, als hij eenmaal overtuigd was van een bepaalde wijze van handelen. “Hij kan dan zo onverzettelijk zijn als een degelijke Oirschotse stoel”, citeer ik br. Nico Coolen, die jarenlang met hem in Chili werkte. Die onzekerheid maar ook onverzettelijkheid toonde hij ook bij zijn verblijf in Spanje, waar hij in 1974 en 1975 het roepingenpastoraat moest beoefenen. Met grote tegenzin verliet hij even zijn dierbare Chili, maar zette zich wél met 100% in voor zijn opdracht. “Het was de meest vervelende tijd uit mijn lange leven als broeder.”

Een ander zwaar kruis kreeg hij te dragen in zijn laatste levensjaren. Zijn gehoor liet hem steeds meer in de steek en hij was nauwelijks nog in staat de ander te verstaan. Het contact leggen met anderen, wat toch steeds zijn sterke kant was geweest, verviel hier voor een groot deel mee. Dat deed hem veel pijn.

De mensen om hem heen, de medewerkers van onze verzorgingsafdeling, maar zeker ook de leden van ons Lokaal Bestuur: Leon, Wilma, Sylvia en Ellie, hebben ondanks zijn handicap, hem met veel geduld en toewijding geholpen. Ook zijn familie, met name Jan en Corrie, speelden hierbij een grote rol.

Over enkele dagen zou hij zijn zeventig jarige jubileum vieren. Het is zo’n zeldzaam jubileum dat er niet eens een naam voor bestaat. Hij viert het nu samen met zijn dierbaren in de hemel. Wellicht dat hij ( en wij) ons kunnen vinden in een gedicht van Gerard Reve uit 1968 als deze schrijft:

‘Eigenlijk heb ik moeite met geloven.
Soms twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik dat Gij Liefde zijt. En eenzaam.
En dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt, zoals ik U.’

Dankbaar voor zijn leven met ons, familie en medebroeders, geven we hem zonder enige twijfel over aan die Liefde van God, zijn Schepper die hij zo trouw diende als broeder van mensen.

Wim Swüste

naar boven