terug

WOORD VAN AFSCHEID / FERRINI WISSENBURG.

Geboren op 19 december in Brunssum.
Geprofest op 15 augustus 1953.
Overleden te Maastricht op 4 mei 2013.

“God leert ons gebeurtenissen te aanvaarden, die we niet in onze macht hebben.” Het zijn wijze woorden, die vaak toe te passen zijn op ons eigen én andermans leven. Leren leven met vragen, met het mysterie van wie we zijn. Wie de ander in wezen is. Als we vanmiddag afscheid nemen van onze vriendelijke, trouwe medebroeder en familielid, Ferrini, Willem Heinrich Wissenburg, tweelingbroer van Frans, dan blijven er vragen hangen over het waarom en het hoe van zijn leven. Waarom neemt iemand het besluit om religieus te worden? Hoe komt het dat iemand buitengewoon hulpvaardig kan zijn, attent, vriendelijk, maar niet vaak deelneemt aan gemeenschappelijke recreaties? Wat beweegt iemand om broeder van mensen te zijn, goed te zijn / goed te doen? Als we Ferrini in dit uur door middel van woorden tot leven proberen te roepen, trachten we ook – respectvol en voorzichtig – een antwoord te geven op die vragen.

Ferrini is op 19 december 1929 geboren in Brunssum. Zijn moeder beviel van een tweeling, die heel hun leven elkaar trouw bleven. Hun oudste broer zou naar Australië emigreren en is daarom niet aanwezig bij deze plechtigheid. Hun jongste broer Dolf maakte mee dat zijn tweelingbroers tegelijk intraden bij de Broeders FIC. Op 1 september 1951 meldden ze zich aan bij de kloosterpoort van De Beyart. Bijna tegelijktijdig vertrok de oudste broer naar Australië en in die jaren verloren ze ook hun moeder. Dolf en vader bleven alleen in Brunssum achter. God leert ons gebeurtenissen te aanvaarden, die we niet in onze macht hebben.

Nadat de beide broers op 15 augustus 1953 hun eerste Geloften aflegden, kregen ze de opdracht om als broeder kok hun medebroeders van dienst te zijn. Een vakopleiding ontvingen ze niet. Er werd verondersteld dat ze het delicate vak van broeder-kok ‘al doende’ leerden. Ferrini ging twee jaar naar de Kweekschoolcommuniteit aan de Tongerseweg hier in Maastricht. In de schaduw van dit imposante gebouw leggen we hem aanstonds te rusten te midden van zijn medebroeders en onze stichters.

Daarna ging hij twee jaar op ons Juvenaat in Zevenaar werken. Weér een grote keuken, met veel hongerige magen van pubers. Na de Postjesweg in Amsterdam, de Molenstraat in Helmond en het Marconiplein in Rotterdam, werd hij in 1964 benoemd tot kok in De Beyart. Hij zou hier tot 1995 werkzaam blijven. Vanaf 1975 als Hoofd Voeding. Broeder Ferrini kwam uit een gezin waar sober werd geleefd. Er werd op de uitgaven goed gelet. Hij had het in zich om met weinig middelen, een goede maaltijd op tafel te zetten. Hij wist maar al te goed wat maaltijden kostten, wat er aan uitgaven omging om grote groepen broeders in dagelijkse maaltijden én bij feesten te laten eten. Zijn houding als leidinggevende was niet om pinnig te zijn, te beknibbelen. Maar hij hield wél nauwkeurig in de gaten dat het binnen de maat bleef. Binnen de maat en mogelijkheden van ons religieus leven. Hij hield van gezelligheid met zijn broeder- en lekencollega’s.

Samenwerken betekent onvermijdelijk geven en nemen. De optelsom is dan voor ieder positief. De keuken was een gezellige ontmoetingsplek. Er werd gepauzeerd op de werkvloer. Op de aanrecht gezeten, sigaretje bij de hand, koffie voor iedereen. Er waren dan vaste bezoekers, zoals Miguel Hutjens. Belangen van De Beyart passeerden de conversatie. ‘Hé , Wim, ook trek in een kopje koffie?!’ riep Ferrini dan als ik even langs kwam. Toen de Hygiënewet moest worden uitgevoerd had mevrouw Maas toch wel heel veel moeite, om de keukenploeg te bewegen elders de koffie te gebruiken. Met name Ferrini vond dat eigenlijk een aanslag op hun gezelligheid en teamgeest.

Ook op andere terreinen botste het soms met de overheid. Ferrini vond dat er soberder gegeten en vooral eenvoudiger feest moest worden gevierd. En toen een goedwillende provinciaal overste zich eens liet ontvallen ‘dat het gemakkelijker omgaan was met lekenmedewerkers, dan met broeders’ waren de rapen gaar. Dat was ook de reden dat Ferrini zich na zijn pensioen, vaak niet vertoonde in de dagelijkse recreaties en bij feesten. Hij vond dat er door zijn communiteitsleden te uitbundig werd gedronken en dat het aan tafel heus wel wat soberder kon.

In de kelderruimten hier op De Beyart. had hij zijn werkplaats. Als je binnenkwam, leek het net alsof je in een huiskamer kwam: een zitje, tv toestel, sfeervol ingericht met allerlei kleine voorwerpen. Hij ontving hier medebroeders, waaronder Crispinianus Mooren, zuster Jo Wolfs en lekenbewoners, die behoefte hadden aan kleinschalige huiselijkheid. En die vond men daar in hoge mate. Achter in de werkplaats repareerde hij tv-toestellen en andere apparatuur. Als iemand met zijn toestellen problemen had, reed hij met zijn wagentje naar de betreffende kamer en haalde er het kapotte apparaat op. Hij voorzag nieuw gekochte tv toestellen van de goede zenders, was nooit te beroerd om de helpende hand te bieden, en deed dat op een vriendelijke en bescheiden manier. Wat beweegt iemand om een goede broeder te zijn, goed te zijn én goed te doen, op zo’n geheel eigen wijze?

Die vraag kwam in alle hevigheid op Ferrini af, toen zijn tweelingbroer Frans besloot om een andere wending aan zijn leven te geven. Hij begreep dat aanvankelijk niet, maar had er uiteindelijk vrede mee. Frans bleef Ferrini trouw bezoeken en was een bezorgde broer. Tot aan het einde toe.

Als we in de “Gedragslijnen voor vakbroeders FIC” lezen dat de taak van een broeder-kok ‘een zeer verantwoordelijke is’, dan moeten we in groot respect en dankbaarheid vandaag vaststellen dat broeder Ferrini aan die verantwoordelijkheid, op een prachtige wijze gestalte heeft gegeven. Op zijn geheel eigen wijze. Als vakman. Als medebroeder.

In juli 2011 begon Ferrini geestelijk en lichamelijk sterk achteruit te gaan. Hij werd daarom opgenomen op onze verpleegafdeling. Hij was daar een stille, maar uiterst vriendelijke man. Mens van weinig woorden, mens met een glimlach om zijn mond en met ogen, die je lieten blijken dat hij je mocht. Dat het zo, goed was.

Op 15 augustus aanstaande, zou hij zijn diamanten feest hebben gevierd. Mij werd gevraagd om een stukje voor hem te schrijven in ons blad Oriëntatie FIC en dat heb ik met genoegen gedaan. Ik lees u er een stukje uit voor. Het heet ‘Op bezoek’. “Dag goede Ferrini. Jij bent onze diamanten medebroeder, geslepen door je leven, door geluk, lief en leed. Je viert feest, maar we vermoeden met pijn in het hart, dat dit jou door de versluiering van je gedachten in je hoofd, voor het grootste deel langs te heen zal gaan. Dat vinden we heel jammer, want het is goed dat je hoort dat we je hoog hebben. We komen naast je zitten en vertellen je van het vele goede dat je voor velen hebt gedaan. We pakken je hand vast en kijken je aan. En je zult vriendelijk naar ons glimlachen, zoals je altijd doet. En je zult ervaren dat de warmte die jij vaak uitdroeg in dienstbaarheid en beschikbaarheid, nu nog steeds van ons terug ontvangt.” Dit kreeg gestalte in liefdevolle en deskundige zorg van onze medewerkers en attente aandacht van ons Lokaal Bestuur FIC.

Dat de Vader van alle leven de goede Ferrini in zijn eeuwige vrede mag opnemen. Dat hij mag genieten van de rust die hem zo gegund is. We blijven hem in vriendschap en met alle respect met ons meedragen.

Wim Swüste.


naar boven