In memoriam

broeder Frans Coolen

16 augustus 2011

Staan in het einde
"Beklemd en angstig is mijn hart,
maak mij open, geef mij ruimte."

Deze passage uit psalm 25 geeft de gemoedstoestand en de situatie van broeder Frans weer van zijn laatste weken hier in De Beyart, toen de ziekte Alzheimer hem volledig in de greep kreeg. Hij werd angstig en onrustig, een rusteloos zoeker naar ... hij wist niet meer wat! Of misschien toch wel: vanuit zijn diepste weliswaar verwarde gevoel op zoek naar ... ruimte om weer de Frans te zijn die hij altijd geweest was! Zijn plotselinge dood heeft hem die ruimte gegeven. Hij is Frans gebleven, nu niet langer hier in ons midden maar bij zijn God en Vader die hem alle ruimte zal geven.

Groot, gelovig gezin
Frans werd in 1929 geboren in Veghel en groeide op in een groot gezin: vader, moeder en tien kinderen (7 jongens en 3 meisjes). Zijn vader was kapper, die met hard werken de kost moet verdienen. Frans, zo zegt hij zelf, "had de eer de rechterhand van mijn moeder te mogen zijn. Ik ben er nog altijd dankbaar voor, dat ik zo veel voor haar heb mogen doen. Helaas is zij veel te vroeg gestorven; ze was pas 55 jaar."

Net als zijn andere zes broers, waaronder Nico die nu voorgaat, ging Frans bij de broeders in Veghel op school. Daarna tijdens de oorlog naar de MULO in Zevenaar en Simpelveld en in 1945 naar de kweekschool in Maastricht. Frans wilde broeder worden, net als zijn ooms van moederskant Magnus, Regis en Salesius z.g. Als 16-jarige kreeg hij in Maastricht een ernstige buikvliesontsteking. Het was kantje boord, want zijn ouders kwamen onder zeer moeilijke omstandigheden wat het vervoer betrof naar Maastricht voor Frans' bediening. Een zware operatie bood gelukkig uitkomst. Frans kwam achter wat zijn onderwijzersopleiding betreft, maar kon die toch afronden en in 1952 deed hij zijn eerste professie.

Dienstbaar, betrokken en verantwoordelijk
Het leven van Frans stond in het teken van zijn grote dienstbaarheid en betrokkenheid op mensen. Dat begon al thuis in het grote en drukke gezin, waar hij - zoals ik al vermelde - de rechterhand was van zijn moeder. Dat hij haar die hulp mocht bieden, daar stelde hij een eer in. Die dienstbaarheid ging gewoon verder in zijn leven als broeder. In al de plaatsen waar hij heeft gewoond en gewerkt (Waalwijk, Weert, Halfweg, Amsterdam, Nijmegen) heeft Frans sporen nagelaten van 'goed doen', van meeleven, van betrokkenheid. Sporen van grote dienstbaarheid, niet zo zeer door woorden, maar door gewoon te 'doen', heel praktisch, met zijn handen, zijn talenten, en vooral met zijn hart.

Rijk en veelzijdig was zijn dienstbaarheid:
in school als onderwijzer en als man van de handenarbeid,
in het jeugdwerk als leider van hobby- en muziekclubs,
in de parochie als pastoraal medewerker,
in de communiteit als lid van het lokaal bestuur,
voor zijn medebroeders en voor anderen als klusjesman, ziekenbezoeker, chauffeur, enz.

Stilzitten was hem vreemd.
Hij was een man met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Dat had hij van thuis meegekregen, waar - zoals we zagen - zijn moeder hem veel verantwoordelijkheid binnen het gezin gaf. Soms tilde hij daar te zwaar aan en dat gaf soms spanningen in hemzelf en bij zijn medebroeders.

Frans vond het fijn dat hij iets voor mensen kon betekenen. En hij kreeg daarvoor de waardering die hij ook nodig had, zoals elke mens. Het gaf hem een gevoel van eigenwaarde, van iets te betekenen.

Ziekte, tegenslagen en teleurstellingen
Ziekten, tegenslagen en teleurstellingen hebben ook een duidelijk spoor achtergelaten in het leven van Frans. Ik noemde al de ernstige buikvliesontsteking op 16-jarige leeftijd. Later als broeder een herniaoperatie. In 1984 werd hij overspannen en moest hij zijn werk in het onderwijs stoppen. Gelukkig werd hij in Elzendaal in Boxmeer goed opgevangen. Later gaf hij handenarbeid aan de priesters en religieuzen die daar weer op adem moesten komen.

Tien jaar later, in 1994, kreeg hij last van hartklachten en moest hij in Nijmegen een hartoperatie ondergaan. Meer recent werd hij regelmatig getroffen door tia's.

Als men dit rijtje overziet, is het niet vreemd dat dit een domper heeft gezet op het leven van Frans, op zijn vanzelfsprekende hartelijkheid, op zijn verlangen om 'goed' te kunnen doen, op zijn eigenwaarde. Maar hij is er niet aan onderdoor gegaan. Telkens is hij weer overeind gekomen en heeft hij 'zijn' draad weer opgepakt.

Hij putte kracht uit zijn diep geloof en uit de steun en medeleven van de mensen die hem dierbaar waren: medebroeder, familieleden, maar vooral een aantal goede vrienden en vriendinnen. Met name zijn goede contacten met dierbare mensen buiten het klooster hebben veel voor Frans betekend.

Zichzelf loslaten
De laatste twee jaar in De Beyart in Maastricht zijn voor Frans niet gemakkelijk geweest. Langzaam ging zijn gezondheid steeds meer achteruit en kon hij niet meer de dienstbare broeder zijn die hij altijd was geweest. Hij werd hulpbehoevend; anderen moesten hem nu helpen. Toch probeerde hij zijn hartelijkheid en meeleven overeind te houden. Hij was heel dankbaar voor de verzorging die hij kreeg.

Eenvoud en oprechtheid
"Eenvoud en oprechtheid mogen mij bewaren,
want op U wacht ik, een leven lang."
Zo staat er in dezelfde psalm 25.

De ziekte van Alzheimer maakte Frans steeds onrustiger en rustelozer. Hij bleef zoeken ... naar zichzelf die hij kwijt was en terug wilde vinden: de eenvoudige en oprechte Frans.

En die - zo geloven en hopen wij - zal hij terugvinden in de armen van de Heer, die op hem heeft gewacht en hem welkom zal heten en noemen: 'lieve, goede Frans'.