In Memoriam br. Henk de Wilde

Hij is geboren op 9 augustus 1925 in Venlo.
Zijn professie deed hij op 15 augustus 1945 en nam de naam Gondulfus aan.
Hij overleed op 7 mei 2014 in De Beyart.

Het rijpe graan dat gevormd werd in het leven van onze goede Henk, heeft lang mogen bloeien en groeien. Het is dan pijnlijk om te zien hoe zo’n rijk en mooi leven, langzaam neerbuigt, bijna zonder weerstand te kunnen bieden. Het zicht verliest op de werkelijkheid om hem heen, gedwongen wordt om een leven te leiden in flarden van mist en niet meer weten. Een schaduw te worden van wat dit leven in zijn rijke, rijpe jaren was. Want Hendricus Theodorus Gerardus de Wilde wás zo’n rijke aar. Vol zaad van humor , vol menselijkheid en meeleven, enthousiasme, levenslust. Met dit beeld voor ogen gedenken we hem nu hier. In groot respect en dank. Met genegenheid en aandacht. Omdat hij dat voluit waard is. Omdat hij een kostbaar medemens was.

Henk groeide op in Venlo.Met zijn grote ogen zal hij opgezien hebben naar zijn vader, die wat oud leek. Hij had een wat kwakkelende gezondheid, waardoor Moeke hem in de kinderwagen soms, naar het ziekenhuis moest rijden. Maar er was ook veel plezier in de Wilhelminastraat.Er werd toneel gespeeld: Ria als hofdame en Henk en Willie als kabouter. Samen liedjes maken en die tussen de schuifdeuren ten gehore brengen. Het gezin De Wilde was diep gelovig en Henk werd misdienaar. De voorspelling van de kapelaan ‘dat Henk vast wel pastoor zou worden’ kwam gelukkig voor ons niet uit . Henk volgde zijn drie oudere broers die broeder werden. Broeders van elkaar, maar vooral broeders van ménsen. Later zal Henk schrijven dat het hem niet altijd meeviel om trouw te blijven aan zijn roeping. Als hij eens aan het wandelen is, ziet hij een man en vrouw op leeftijd die op een liefdevolle wijze met elkaar omgaan. Henk vindt dat ontroerend en het maakt het ook wat jaloers. Hij noteert: “Ik ben heel mijn leven onderweg van eenzaamheid naar ontvankelijk alleen- zijn”. Het typeert hem helemaal: als ontzettend aardige en hartelijke mens, maar moeilijk om weten te gaan met zijn verlangen naar diepe genegenheid. “Ik heb het op kunnen brengen om trouw te blijven aan mijn roeping, omdat ik altijd de grote trots ervoer van Moeke op haar dochter en zoons die in het klooster waren gegaan.” Wat draagt een mens toch mysteries met zich mee.Henk bleef ons en de Eeuwige trouw tot in de dood.

Hij wordt in 1937 juvenist en begint op 8 september 1944 zijn noviciaat. Negen dagen later verzorgt hij, met zijn sonore stem, de toenmalige gebruikelijke lezing onder de maaltijd in de novicenrefter hier in De Beyart. Luid en duidelijk leest hij : “In stilte en rust gaat de godsdienstige ziel vooruit’. Waarop een immens harde klap volgt. Er valt een bom op de voorbouwvleugel. Stofwolken. Ontzettende angst. Alle novicen duiken onder de tafel. En als ze wat van de schrik bekomen zijn, horen ze de stem van broeder novicenmeester: “Fraters, de puree moet terug naar de keuken. Er kunnen glassplinters in zitten.” Je hóórt het Henk vertellen en hem daar smakelijk om lachen. Na zijn professie werkt hij aan basisscholen in Maastricht, Schiedam en Den Haag. In 1959 wordt hij benoemd tot hoofd van de Martinusschool in Venlo. “Vanuit mijn kantoortje kon ik ons ouderlijk huis zien liggen. En Moeke kon precies zien wanneer ik op de speelplaats surveilleerde”.

Henk was een goed pedagoog en didacticus.Daarom werd hij in 1964 aangewezen om opvolger te worden van broeder Theophorus Remmen ( de ‘Rooie Remmen’) die met een school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden in de Derde Walstraat in Nijmegen was gestart. Theoffer had aan deze school, de Mgr. Ruttenschool, zijn ziel en zaligheid verpand. Hij kreeg het klaar om in een buitenwijk van de stad, aan de Tapirstraat, een mooi nieuw schoolgebouw neer te zetten. Bij het aantreden van Henk lagen de fundamenten er al. De nieuwbouw was op 30 november 1966 gereed. Er lag toen een pak sneeuw van tien centimeter dik. ’s middags werd Henk opgeroepen om naar Brunssum te komen omdat zijn vader stervende was. ’s Avonds overleed hij, in de armen van Henk.

De school floreerde goed en Henk was steeds in staat om zijn collega’s samen te smeden tot een hecht team. Ontspannen, enthousiast. Alles voor het kind. “Het waren geen arme kinderen in de gewone zin van het woord,” schrijft hij. “Als je intelligent bent en je niet kunt lezen vanwege een woordbeeldstoornis,dan ben écht arm. Aan de opheffing van dié armoede hebben we samen dag en nacht gewerkt.”

Het waren de tweeëntwintig gouden jaren van zijn leven. Tussen het schoolwerk door was hij in de communiteit een man van gezelligheid. Zo deed hij volop mee aan toneeluitvoeringen op overstefeesten. Meestal vervulde hij dan de rol van souffleur. “Ik las dan de tekst aan de spelers voor, af en toe hinderlijk onderbroken door enkele broeders die wat op het podium stonden te praten.”

Voor school- en congregatiefeesten maakte Henk liederen. Hij componeerde die vanachter zijn piano die hij – verplaatsing na verplaatsing- met zich meesleepte.Hij hield van muziek. Samen naar “De Engel van Amsterdam” in Carré , naar de Mattheüspassion in het Concertgebouw, genietend van muziek uit radio of van CD’s, of van zijn eigen pianospel. Henk was een fanatiek lid van de Nachtwachtclub : nooit te vroeg naar bed, werkend, knutselend, rommelend in huis tot diep in de nacht. Hij fotografeerde en ontwikkelde de foto’s zelf in zijn donkere kamer op de Schippersschool of in de Mr. Franckenstraat. In de laatst genoemde communiteit vestigde hij zich in de roerige jaren zeventig. Hij woonde daar onder meer samen Gerard Abeling, Harrie Lausberg, Jos Lefeber, Jan Garnier en Ton Kropman. Henk kookte , ruimde de schone was op, deed boodschappen, knutselde, werkte in de tuin en was een opgeruimd huisgenoot en maakte vele fietstochten en wandeltochten

In 1987 gaat hij met de VUT. Daarvóór had hij al enkele periodes meegemaakt van lusteloosheid en moedeloosheid. Hij was even niet meer vooruit te krijgen. Het siert zijn toenmalige huisgenoten dat ze hem letterlijk en figuurlijk ‘op de been’ hielden. Na de opheffing van de communiteit Sterreschansweg in Nijmegen, wordt hij lid van de communiteit Overkant hier in De Beyart. Het is voor hem een hele opgave om zijn dierbare Nijmegen, met zijn vele zeer goede vrienden en bekenden te moeten verlaten. Op 8 oktober 2009 verhuist hij naar Maastricht, met zeer attente hulp van zijn oud collega’s Ton en Nelleke van Rossum.

De laatste periode verblijft Henk op de verpleegafdeling hier in huis. Het licht in zijn ogen dooft langzaam uit. Hij glimlacht naar je als je hem groet en helpt bij het eten, maar weet niet meer wie je bent. Geen herháálde verhalen meer van vakanties in Oostenrijk en Noorwegen. Geen herinneringen meer vertellen van vroeger, over lieve collega’s. Henk is na al die jaren van inzet moe. Dood moe. In alle vrede en rust van ons heen op 7 mei. De Eeuwige heeft hem opgewacht. “Trouwe Henk, volgroeide mooie aar, aardig familielid en vriend, en voortreffelijke medebroeder, kom bij Me. Neem de plaats in die je zo verdiende in Mijn eeuwige rust en vrede. Een plek waarnaar je altijd zo hebt uitgekeken. Je hebt je dik verdiende eindbestemming bereikt. “In Paradisum” hoorden we jou met je mooie donkere stemgeluid zingen. Dik verdiend mag je deelhebben aan de Vreugde die geen einde heeft, terwijl je ons verstild achterlaat.

Wim Swüste