Jos van Eijden, een zoeker, een ziener.

Een zoeker naar liefde, een ziener op de weg van ons leven.

Een maandje geleden kwamen wij als FIC-gemeenschap in het Stadsklooster bijeen om elkaar in deze ingewikkelde coronatijd te ontmoeten en te bemoedigen. Aanleiding voor deze bijeenkomst was: dertig jaar geassocieerd lid van de FIC zijn van Annemiek Jacobs, en Bep en Jos van Eijden.

Op deze zondag stonden wij stil bij alle zegeningen die wij als leden van de FIC van elkaar ontvangen hebben. Daarbij herdachten wij ook in het bijzonder Lex Weiler die zich altijd een vurig voorstander van het geassocieerd lidmaatschap betoond heeft. Deze zondag was Lex zijn verjaardag en de dag ervoor was zijn sterfdag.

Later op de middag hadden wij in de kapel van het Stadsklooster een viering, voorbereid door Jos. Ik koester de teksten voor deze viering als een geestelijk testament van Jos.

Als opening had Jos – niet verrassend - een lied van Huub Oosterhuis:
Dit huis is een huis waar de deur openstaat, / waar zoekers en zieners, genood of gekomen,/ hun harten verwarmen, van toekomst gaan dromen,/ waar in wat hen drijft tot herkenning gaat komen, / de vonk van de geest in hun binnenste slaat. De deuren van kerk en klooster openzetten, dáár was Jos naar op zoek. En letterlijk stond hij vele malen aan de poort om bezoekers van het klooster te ontvangen en wegwijs te maken. Tijdens de kerststallenexpositie, de “Wereldreis door eigen stad”, de Open monumentendagen, de open kloosterdagen.

Hij vertelde zijn verhaal over de broeders, sinds 1861 in Den Haag. Als historicus kon Jos dit als geen ander. Als lezing had Jos uitgekozen de eerste vijf artikelen van de leefregel van de Broeders van Maastricht. In Artikel één houden we elkaar voor: “Zoals ieder mens wensen wij van ons leven het mooiste te maken, dat ervan te maken valt. Zoals ieder mens vragen wij om het diepste, meest volkomen geluk.”

Jos werd broeder in 1965, de tijd van het tweede Vaticaans Concilie, de tijd van het “aggiornamento”. De kerk wilde de ramen openzetten voor de frisse lucht van buiten. De zestiger jaren waren een bevrijdingstijd, zowel in de maatschappij als in de kerk. In het klooster was er eigenlijk een dubbele bevrijding: de knellende banden van samenleving én van klooster werden verbroken.

Dat leidde er ook toe dat heel veel broeders ook letterlijk de deuren gingen open zetten en het klooster verlieten. Jos legde zijn eerste geloften af samen met 20 andere jongemannen. Van deze 21 broeders hadden er na 7 jaar al weer 17 de FIC verlaten.

Maar Jos bleef zijn geluk zoeken bij de broeders. In 1968 kwam hij naar Den Haag en ging wonen in ons tweede klooster in de Noorderbeekdwarsstraat. In de regel van de broeders lezen we met Jos: “Gestuwd door zijn Geest willen wij evenals de eerste christenen “één van hart en ziel “ zijn, gemeenschap vormen. En ook buiten eigen kring gemeenschap helpen opbouwen.”

In 1970 verlieten Jos en zeven anderen het grote klooster en gingen in een pastorie in de Brandtstraat wonen. Om daar buiten eigen kring gemeenschap te helpen opbouwen. Van die groep zijn hier nog aanwezig: Wim Brands, Gerard Langelaan en Frans Wils. Voortdurend waren wij daar op velerlei wijzen op zoek naar gemeenschap, of anders en beter gezegd: op zoek naar liefde.

Voor Jos was dat een mooie weg – die wel steeds moeizamer werd. In 1983 nam Jos het zware besluit om de congregatie te verlaten en te trouwen. Hij hoopte zo in het huwelijk te vinden wat onze regel aanbood: “Elkaar willen begrijpen. Elkaar waarderen, bemoedigen, bezielen. Telkens weer bereid zijn elkaar te vergeven.”

Maar ook nu kreeg Jos niet waar hij naar op zoek was. Het huwelijk strandde. Hoe verdrietig.

Maar er kwam een engel, eerst in de gedaante van Lex Weiler, toen nog broeder Valerius genaamd. Zijn levensopdracht was het om mensen bij elkaar te brengen . Op zijn eigen, unieke wijze liet hij Jos en Bep ontdekken wat zij voor elkaar konden zijn.
In de viering van 27 september was ook opgenomen: de gelofteformule zoals Jos die in 1970 nog had gebruikt bij de hernieuwing van zijn broedergeloften. In de oude taal worden de drie geloften genoemd: gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid/ongehuwd zijn. Jos vond voor deze geloften nieuwe woorden. Als ziener zag hij, hoe geloften richtingaanwijzers zijn, niet alleen voor religieuzen, maar voor iedereen.

Zo gaf Jos aan de gelofte van armoede de volgende bezielende woorden mee: Wij geloven, dat God ons mensen zó geschapen heeft, dat wij het geluk niet vinden in hebben en bezitten, maar in het delen en leven met elkaar. Hieraan willen wij gestalte geven/door alles wat ons gegeven is:/onze talenten en vermogens,/onze welvaart en bezittingen,/niet voor onszelf te behouden/maar met anderen te delen.

Jos had vele talenten. Hij deelde die met velen. Hij werd een dienstbare ziener. Voor het bestuur van de FIC, voor de geassocieerde leden, voor het Bestuur van De Beyart, voor de broeders van het Stadsklooster, voor de Haagse Dominicus, voor de familie, voor de scrabbelclub, voor …, voor Bep en Sabrina. Voor jou en mij.
Elk jaar stuurde hij ons met Nieuwjaar een boodschap met visie. Die van dit jaar wordt nog eens herhaald op de rouwkaart:

Zij bestaan: engelen van mensen.
Mensen in wie je soms,
altijd plotseling en meestal kortstondig,
aanschouwt dat het kan,
je leven veranderen,
je angst overwinnen,
je wantrouwen beteugelen.

Wij zijn allemaal op zoek naar zo’n engel.
En soms zien we die in elkaar.

Jos, dank je wel.


Frans Wils