IN MEMORIAM

BR. KAREL GEBOERS

Hij is geboren op 2 februari 1933 te Helmond. Op 15 augustus 1953 deed hij zijn professie in de FIC. Hij overleed in De Beyart in Maastricht op 27 september 2011.

Als we op een rustig moment ons eigen leven bezien, dan ontdekken we, als we eerlijk zijn, dat we vol met tegenstrijdigheden leven. En als je nog serieuzer naar je doen en laten kijkt, is het bijna niet te verklaren waarom je goede zin hebt, een boze bui hebt, je de zonnige kanten van je leven koestert, of je wentelt in de tegenslag. Heeft het iets van doen met je karakter? Met je geaardheid? Heeft het van doen of je een sterke persoonlijkheid hebt? Eerlijk gezegd kom ik daar persoonlijk nooit uit. Je blijft een mysterie voor jezelf. Hoeveel te meer is dan de ander voor ons een mysterie in zijn wijze van leven, in zijn doen en laten?

We nemen in deze Eucharistieviering en met het zegenen en bewieroken van zijn lichaam, vanmiddag afscheid van br. Karel, Carolus Franciscus Maria Geboers. Als we op dit kostbare en ook droevige moment over hem spreken, dan doen we dat in respect, met dank en laten we onze vragen onze vragen. Dat geldt voor u als familie, dat geldt voor ons medebroeders, die samen met Karel gedurende 58 jaar lang optrokken. In lief en leed. In tijden van grote ontspanning en blijdschap. Maar ook in perioden dat het niet zo goed met hem ging. In tijden dat het moeilijk was om zijn doen en laten te plaatsen. Vast blijft staan dat respect in hoge mate overheerst. En dank. Veel dank.

Karel zag het levenslicht in het Brabantse Helmond. Zijn afkomst liet hij vaak merken in zijn manier van spreken, maar ook in een grote hartelijkheid en gemoedelijkheid, Brabanders eigen. Hij ging bij de broeders op school en gaf in 1951 thuis aan, dat hij graag bij de broeders wilde intreden. Dat gebeurde op 20 november van dat jaar. Op het feest van Maria Lichtmis ontving hij zijn habijt als postulant. En op het feest van Maria Hemelvaart in 1953 beloofde hij aan zijn overheid graag te willen leven als broeder: in gehoorzaamheid, soberheid en als vrije man levend zonder specifieke binding met een ander. Met opzet vernoemen we de Mariafeesten waarop Karel ingrijpende stappen in zijn leven zette. Hij was een groot vereerder van de Moeder van Jezus. Hij bad vaak tot haar, de kralen van zijn rozenkrans tellend. Maar ook in zijn creatieve uitingen loofde hij de Moeder Gods in mooie geborduurde afbeeldingen, zoals die van de Moeder van Goede Raad die boven zijn sterfbed aan de muur van zijn kamer hing. Onder Haar vleugels leefde hij, vocht hij en zocht hij. Tot in de dood.

Hij kreeg zijn eerste opdracht om aan de Postjesweg in Amsterdam dienstbaar te zijn in huishoudelijk werk voor zijn medebroeders. In 1957 gaf hij te kennen dat hij graag kleermaker wilde worden. Daartoe sloot hij zich aan bij het team van broederkleermakers op De Beyart. Hij behaalde zes bevoegdheden in zijn vak, waaronder die van "meester kleermaker" in 1963. Ook behaalde hij het brevet voor textielhandel en een ondernemersdiploma. Karel was zeer gemotiveerd om zijn vakmatigheid een degelijke basis te geven. Hij werkte er met groot genoegen samen met zijn medebroeders Josaphat, Sebastianus, Elzearius, Theodulfo en Wilhelm. In die jaren was de instroom van jonge broeders nog groot. Rond 2 februari bij de inkleding en rond 15 augustus bij de professies, moest er onder hoogspanning worden gewerkt. Lakense habijten, linnen habijten en prachtige witte habijten voor de grote groep missionarissen die vanuit De Beyart werden uitgezonden.

Karel was een man van gezelligheid en het zich thuis voelen in een groep. Bij de jaarlijkse Jubelfeesten, eind december, deed hij mee aan de revues, gemaakt door de brs. Remund en Gamalil. Prachtig vond hij dat. Op foto's zie je hem - al dan niet verkleed - staan met glimmende ogen. Hij was lid van het gerenommeerde Beyartkoor, dat op de orgelklanken van Tiburtio Kalwij prachtige meerstemmige Missen uitvoerde. Op afscheidsfeesten van missionarissen zong Karel mee in het Beyart-octet. Het waren voor hem hoogtijdagen, net als de vieringen van Sinterklaas, waarvoor hij prachtige kostuums maakte, die ook in de stad werden gebruikt.

Maar de tijden van ouderwetse gezelligheid waarin Karel zich zo thuis voelde veranderden. Het dragen van habijten werd vanaf 1967 niet meer verplicht gesteld. Op de grote Beyart ontstond onvrede met het leven in de groep van ruim 125 broeders, werkzaam in onderwijs of als vakbroeder in en buitenshuis. Het leven van Karel kreeg een andere kleur: in werk en in samenleven. Hij werd lid van het "Maagdenhuis", de eerste kleine leefgroep in De Beyart. De groep zocht naar een nieuwe manier van samenleven in klein verband. Karel ondervond hierin een groter gevoel van vrijheid, dat hem goed deed. Zijn werk kreeg k een andere invulling. Aanvankelijk maakte hij voor enkele medebroeders mooie maatpakken. Maar al snel werden er massa's grijze confectiepakken aangeleverd door de firma Stonebridge. Broeders in chauffeurspakken. Later zou het assortiment worden verbreed en was er in het land behoefte aan ondersteuning bij de keuze van kleding. Rekken vol kostuums, broeken, jassen, dassen en truien werden in een vrachtwagen vanuit De Beyart naar communiteiten gereden, waar Karel goed advies gaf aan elke medebroeder. Dit werk was hem op het lijf geschreven en deed hij met veel genoegen. Maar ook daar kwam de klad in, toen broeders zelfstandig genoeg bleken om zlf de stad in te gaan - al dan niet vergezeld van een welwillende zus - om nieuwe kleding aan te schaffen. Op deze manier zag Karel zijn taak beetje bij beetje uitgehold worden.

Zijn medebroeders in de Ludovicuscommuniteit en zijn verantwoordelijken zagen dat Karel begon in te boeten aan welbevinden. Dat werd nog vergroot toen zijn gezichtsvermogen begon af te nemen. Hij moest gaan zoeken naar een nieuwe identiteit: Wie ben ik? Wat wil ik nog met mijn leven? Karel heeft daar moeite mee gehad. Goed bedoelde en attente hulp in deze, werden door hem niet steeds op prijs gesteld. Karel zocht zijn morele steun bij zijn Moeder Maria. De genegenheid waarnaar hij zo verlangde, vond hij bij haar. In eenvoudig gebed. Zijn zoeken naar een goede balans werd nog meer gehinderd door het afnemen van zijn lichamelijke en ook van zijn geestelijke veerkracht. In alle eerlijkheid moeten we helaas vaststellen dat Karel vereenzaamde, zich steeds moeilijker kon vinden in steun en aandacht van familieleden en van medebroeders.

De laatste jaren van zijn leven heeft hij het niet gemakkelijk gehad. Hij bleef weg bij recreaties, bleef op zijn kamer, kon niet zo goed omgaan met zijn verslechterend gezichtsvermogen. Een paar weken geleden werd zijn situatie zeer ernstig. Een opname in het Academisch Ziekenhuis was noodzakelijk. Op zijn wens werd hij echter weer terug gebracht naar zijn geliefde Beyart, naar zijn eigen vertrouwde kamer met zijn eigen spulletjes. In liefdevolle zorg en aandacht van de medewerkers van onze verpleegafdeling en met attente zorg van dokter Wolfs, bracht hij zijn laatste dagen door. De inspanningen en begeleiding van het Lokaal Bestuur F.I.C. mogen hierbij zeker niet vergeten worden. Verenigd met zijn familie, in nabijheid van medebroeders en Beyartbewoners, die trouw bij hem waakten, ging hij in vrede en rust van ons heen.

"Blijf mij nabij wanneer het avond is, wanneer het licht vervaagt in duisternis. Dan weet ik Heer, dat Gij mijn hulpeloosheid ziet. Ik heb U lief o Heer, verlaat me niet." Karel zou het gebeden kunnen hebben.

De Heer heeft onze goede Karel niet verlaten. Hij nam hem, vol liefde in zijn onmetelijke goedheid, op in zijn Rijk van goedheid en genegenheid. Karel rust in Zijn tedere aandacht. Voor altijd.

Wim Swste