In Memoriam broeder Lex Weiler

Het heeft niet veel moeite gekost om passende lezingen uit te zoeken voor deze afscheidsviering. Lex had namelijk, al weer diverse jaren geleden, een aantal suggesties op papier gezet voor de liturgie van zijn uitvaart, met een jaartal erbij, namelijk 2030. Gezien zijn geboortedatum niet zo gek bedacht. Het past bij de optimist die Lex was.

De parabel van de barmhartige Samaritaan was Lex op het lijf geschreven. Hij had hem eigenlijk niet nodig om te weten wie zijn naaste was. De opdracht ‘doe voortaan net zo’ is voor hem altijd vanzelfsprekend geweest. Hij kreeg die als het ware met de paplepel in gegoten. In het hechte gezin waarin Lex met zijn drie zussen en drie broers opgroeide, was zorg voor elkaar de gewoonste zaak van de wereld.
Vader Weiler was werkzaam bij de gemeente Amsterdam en daar zag hij dat er veel gezinnen waren waarvan de kinderen nooit op vakantie gingen. Daar moet je dus wat aan doen! En zo ontstonden op zijn initiatief de jaarlijkse zomerkampen voor Amsterdamse kinderen. Een beter voorbeeld van bekommernis om mensen die hulp nodig hebben was voor de kinderen Weiler haast niet te geven.

Op tal van manieren heeft Lex, oftewel broeder Valerius, zich ingezet om deze grondhouding zelf na te volgen. Hij had ongelooflijk veel energie, was initiatiefrijk, temperamentvol, kon daardoor bergen verzetten. En hij had het talent om nieuwe impulsen te geven in bestaande situaties . Tijdens zijn jaren in het onderwijs, als broeder-onderwijzer aan de Pius X school in Maastricht en daarna als hoofd van de school in Schiedam manifesteerde hij zich als een onvermoeibare organisator. En dat gaat door, ook als na 14 jaar zijn onderwijsloopbaan eindigt en hij in 1968 gevraagd wordt in Den Haag leiding te gaan geven aan een nieuwe communiteit in de Noorderbeekdwarsstraat.

In zijn Haagse jaren krijgt Lex volop ruimte om zijn talenten in te zetten. Dat begint al in de barre winter van 1968/1969. Er wordt de oproep gedaan hulp te bieden aan mensen die niet in staat waren hun stookkosten te betalen en in de kou zaten. Die oproep was bij broeder Valerius niet aan dovemansoren gericht. Hij nodigde buurtgenoten uit om wekelijks een ochtend koffie te komen drinken in het klooster en zo de kou te ontvluchten. De koffieochtend werd al snel een hele dag. En de buurtcontacten werden in mum van tijd uitgebreid naar andere vormen van hulpverlening: boodschappen doen voor wie niet meer goed ter been was, maaltijden voor alleenstaanden, kamertje opknappen voor wie geen schilder kon betalen. Uiteraard deed Lex dat laatste niet zelf - want die talenten bezat hij nou net niet – maar hij was wel goed in het charteren van vrijwilligers .
En zo sloeg hij meerdere vliegen in één klap: mensen bij elkaar brengen, hulp bieden, de start van een heus dienstencentrum voor de buurt, en, ook niet onbelangrijk, de vanouds besloten kloostergemeenschap werd door zijn toedoen een meer open gemeenschap.

Het waren niet alleen noden die Lex tot dit soort initiatieven bracht. Ook op andere terreinen creëert hij gelegenheden tot ontmoeting en samen dingen doen, zoals met de wandelgroepen, kampweken, uitstapjes, kapelvieringen. En natuurlijk op muzikaal gebied. Lex organiseerde muziekavonden voor liefhebbers van klassieke muziek, of vroeg jonge musici te komen spelen bij bepaalde gelegenheden.
Bovenal kreeg zijn passie voor muziek gestalte in de koren die hij oprichtte, zowel in Schiedam, als Den Haag en Rijswijk. Het koor dat vandaag deze viering opluistert is in 1968 opgericht als Jeugd- en Herenkoor in de Agnesparochie in Den Haag, en zingt in de geest van Lex nog steeds met passie, nu als koor van de Haagse Dominicus.

Het stimuleren van ontmoeting tussen mensen wordt niet beperkt tot de parochiegrenzen. In de periode na de val van het communisme in het toenmalige Tsjecho-Slowakije was een stedenband tot stand gekomen tussen de gemeenten Rijswijk en Beroun, een plaatsje in de buurt van Praag. Natuurlijk zag Valerius meteen zijn kansen schoon en bracht vanuit de Benedictusparochie, waaraan hij leiding gaf, een soortgelijke band tot stand met de parochie in Beroun. En dus werden er vele reizen georganiseerd naar Tsjechië en bezoekers uit Beroun verwelkomd.

Als je constant zo actief bent, is een tijd van rust en bezinning geen overbodige luxe. Begin jaren ’80 neemt Lex deel aan de Summerschool, een sabbatical van drie maanden, die vanuit de Congregatie georganiseerd werd. Het is in deze bezinningsperiode dat Lex, daartoe aangezet door pater Jan van Deenen s.j., gegrepen wordt door de ervaring van Mozes bij het brandende braambos, waarin God zich laat kennen met de naam ‘Ik zal er zijn’.

Die stem zal niet meer verstommen. Maak je geen zorgen. Je kan het. Ik zal er zijn. Doe voortaan net zo.

Ik zal er zijn, voor jou. Het wordt zijn levensmotto. Zijn bron. De drijfveer van al die activiteiten die zojuist geschetst zijn. Het bepaalt zijn geloofshouding en spirituele ontwikkeling. In de teksten en liederen van Huub Oosterhuis klinkt diezelfde stem door. Vandaar dat het koor met juist dat repertoire muzikale ondersteuning biedt. De pastorale bewogenheid van Lex wordt vanuit dit levensmotto gevoed. Hij draagt het in zijn contacten met anderen enthousiast uit en bij velen niet tevergeefs.
Het is ook vanuit deze spiritualiteit dat hij na zijn pensionering een trouw bezoeker wordt van de Amsterdamse Dominicus en in Den Haag een stimulerende kracht van de naar Amsterdams model ontstane oecumenische gemeenschap, de Haagse Dominicus.

Met zijn pensionering komt het leven van Lex bepaald niet tot stilstand. Hij blijft mensen enthousiasmeren en inspireren. Heel bijzonder maakt hij zich sterk voor het lot van vluchtelingen en asielzoekers. Geeft Nederlandse les, bemiddelt bij het verkrijgen van een wettelijke status, organiseert ontspanningsactiviteiten, en zamelt bij zijn gouden professiejubileum in 2001 geld in voor de financiering van activiteiten, het jubileumfonds.

De laatste jaren zijn niet gemakkelijk geweest voor hem. Maar ook in zijn ziekte bleef hij gericht op de mensen om hem heen, medebewoners, al degenen die hem verzorgden. Hij bleef ja zeggen, ook op zaken die hem tegenstonden, als hij daarmee de ander kon plezieren.

Dinsdag een week geleden hebben we bij hem in kleine kring de ziekenzegen uitgesproken. Voor zover zijn conditie dat nog toeliet, bedankte hij zijn ouders, voor wat zij hebben voorgeleefd, de congregatie voor de ruimte die hij gekregen heeft om zichzelf te mogen zijn, en ons allen dat we met hem op weg zijn gegaan.

We geven hem nu uit handen.
In het geloof waarin wij zijn opgegroeid en van waaruit Lex vol overtuiging geleefd heeft dragen wij hem over in de handen van de levende God, van Hem die zich kennen laat met de woorden ‘Ik zal er zijn’. Ik zal bij jou zijn tot in lengte van dagen.

Jos van Eijden