IN MEMORIAM

BR. MICHEAS ALLEMAN

Br. Micheas is geboren op 07.12.1917 in Amsterdam.
Hij verbond zich aan de FIC op 15.08.1937 te Maastricht.
Na voorzien te zijn van de Ziekenzalving overleed hij in De Beyart op 27.01.2011.

"God heeft elke mens toegerust met zijn eigen kracht en heeft hem naar zijn eigen beeld gemaakt," zo hoorden we in de eerste lezing. De goede mens Jan Alleman, broeder Micheas, heeft de kracht van de liefdevolle scheppend hand van de Heer daadwerkelijk gevoeld. Jan was in zijn leven een afstraling van Gods goedheid en trouw. Vandaag zijn we als familie, medebroeders en vrienden bijeen om dit in dankbaarheid en droefheid te vieren. En we spreken met respect uit dat Jans aanwezigheid onder ons genadevol was.

Jan was een rasechte Amsterdammer. Hij hield van de stad, van zijn sfeer en gezelligheid. Die ondervond hij ook thuis. "Mijn vader was seinhuismeester bij de Nederlandse Spoorwegen. Als hij thuis kwam van zijn werk ging hij tuinieren. In deze vaardigheid liet hij ook anderen delen. Voor hen maakte hij hun tuintjes op orde. Vader was ook een vermaard bakker. Moeder bakte nooit. Dat liet ze aan vader over. Als we een verjaardag hadden of rond oudjaar, dan zei ze: 'Piet, je moet nou de keuken in! "Dan werden er taarten gemaakt en er heerste een sfeer van grote gezelligheid. Met oud en nieuw hadden we thuis altijd extra aanloop thuis. Dat was vanwege de oliebollen van vader." Als je deze tekst hoort, dan zie je als het ware Jan voor je: met glimmende ogen weet hij een goed beeld te schetsen van intieme sfeer. Dat lag hem wel. De tederheid en voldoening straalt uit zo'n verhaaltje. En ongewild gaf hij hierbij een goed beeld van zijn eigen persoon: welwillend, behulpzaam, open voor anderen, gehecht aan gezelligheid. Jan droeg deze tederheid zijn hele leven mee. Dat was het geheim van zijn kracht.

In 1930 meldde hij zich aan als juvenist bij onze congregatie en hij deed in 1937 zijn eerste professie. Hij gaat lesgeven in Maastricht en is ook hoofd van de St. Servatiusschool, waar kinderen met een zwakke begaafdheid toegerust werden voor het leven. Bij zijn overheid geniet hij dan al veel vertrouwen. Hij wordt benoemd tot lid van de filmcommissie, die de opdracht heeft films vooraf aan de vertoning te keuren op kwaliteit en om de religieuze toeschouwers te behoeden voor het zien van onwelgevallige scènes.

In 1952 wordt hem gevraagd zich aan te sluiten bij de eerste groep broeders die naar Chili gaat. Twee jaar later zal zijn broer Gerard, br. Adelardus z.g. hem volgen. Micheas vindt dat een mooie uitverkiezing en tevens een spannende opdracht om in een ver en onbekend land mensen te mogen gaan helpen. De situatie die hij daar aantreft, raakt hem tot diep in zijn hart. "In Talca maakte ik kennis met echte armoede die ik nog nooit eerder had gezien. Bij mij in de overvolle klas zaten ondervoede kinderen. Ze kwamen zonder schoenen aan naar school. Als je naar hun voeten keek, kon je zien dat ze vrijwel nooit schoeisel hadden gedragen: kapotte voetzolen, en vuil, vuil, vuil! Ik stond vol ontzetting en met tranen in mijn ogen die grote armoede gade te slaan. En ik voelde meteen dat ik hier in dit land, echt op mijn plaats was."

Na zijn terugkeer in Nederland in 1991 zei hij tegen me: "Door de Chilenen heb ik een totaal andere visie op de mens gekregen. Ik heb van hen echte solidariteit geleerd. Door hen heb ik eveneens een andere zienswijze gekregen op mijn leven als broeder."

In die jaren gaf hij zijn beste krachten aan de opgroeiende jeugd. Hij begeleidde onze aspiranten, waarvan de een na de ander weer vertrok, hij gaf leiding aan communiteiten en de Chileense provincie en uitoefende de pastorale zorg uit aan de technische school Alberto Hurtado in Santiago. Hier gaf hij ook katechese les. Hier woekerde hij met zijn muzikale en technische vaardigheden, gaf gymnastiekles, speelde orgel en was voor velen een vertrouwensman.

Van 1972 tot 1975 vervult hij de functie van zonale overste in Spanje. Als hij terugkeert in Chili is daar Pinochet aan de macht gekomen en heerst er een sfeer van onderdrukking. Daar heeft Jan bijzonder veel moeite mee. Gelukkig kan hij elk jaar op verhaal komen als hij op kamp gaat met studenten en docenten van de Alberto Hurtado school. In het plaatsje Vilches in het Andesgebergte, vlak bij Talca beleeft hij bijna hemelse weken. In een gesprekje met hem toont hij er foto's van. "Ik zou daar wel heel mijn leven hebben willen doorbrengen. Zo mooi is het daar." Maar Chili is ook het land van aardbevingen. Bij een zeer ernstige beving zit hij urenlang bekneld op zijn kamer. Met moeite kunnen zijn huisgenoten hem ontzetten. Heel zijn leven lang houdt hij daar angst aan over. Onlangs nog zei hij tegen zijn begeleider in het AZM, br. Ton kropman, op de vraag wat hem in Nederland het eerste opviel: "Hier zijn gelukkig geen aardbevingen."

Jan was een man die op een serieuze manier invulling gaf aan zijn broederzijn. "We zijn apostel onder de mensen door onze manier van leven. Een gezonde religieuze spiritualiteit is een eerste vereiste om als volwaardig religieus te kunnen leven," zegt hij in een interview. En mensen die hem van nabij kenden zeiden "dat de kracht van br. Micheas bestond in de binding die hij met zijn innerlijke bron had, die hij verrijkte door zijn ontmoeting met mensen: de jongens en meisjes op school, de ouders, de leerkrachten en zijn dierbare Zusters van de H. Familie in Santiago." Steeds was Jan op zoek naar de essentie van zijn leven. Dat deed hij ook in Amsterdam waar hij zijn godsvrucht tot Moeder Maria verdiepte. Zijn kwaliteit van goede organist benutte hij in de communiteit aan de Postjesweg, maar ook elke zondag bij vieringen in het O.L. Vrouwegasthuis en bij vieringen in de parochiekerk van de broeders: de St. Augustinus. Behulpzaam was hij bij het drukken van allerlei uitgaven. Voor het Dekenaat Amsterdam verzorgde hij "De Mokumse Houtjes" en ook verzorgde hij de Huiskrant van de Postjesweg. Prachtige feestgidsen, programma's voor feesten en bedankkaartjes vlogen, keurig verzorgd, in grote getale uit zijn kopieerapparaat.

Met pijn in het hart verlaat hij in 2003 Amsterdam. De communiteit wordt opgeheven en Jan neemt zijn intrek in De Beyart, als lid van de Overkantcommuniteit. "Ik heb het hier erg naar mijn zin. Een prachtige kamer met uitzicht op de tuin, alle voorzieningen die je je maar kunt wensen. Mijn kamer is precies de plek waar vroeger het altaar stond van onze grote kapel. Die mis ik nog steeds ontzettend. Daarom heb ik er een foto van op mijn kamer hangen. Ik doe er niet vervelend over, hoor, maar ik houd er wel een gevoel van heimwee aan over." Zulke zinnen typeren Jan ten voeten uit: Hij constateert dat er vervelende dingen in zijn leven zijn gebeurd, maar weet dat verder in gelatenheid en rust te accepteren. Dat was ook zo gesteld met zijn beleving van het geloof. Van nieuwlichterij in de Kerk moest hij niets hebben. Maar als zaken toch niet te keren waren, berustte hij erin, en zocht zijn eigen weg. "Een zaaier ging uit om te zaaien", hoorden we in het evangelie vandaag lezen. Het zaad viel overal en nergens. Het zaad dat de Heer zaaide op de bodem van het leven van Jan, viel in vruchtbare grond. In tederheid en trouw kwam ontzettend veel goeds door hem tot stand. Met genegenheid en grote dank zeggen we hem nu vaarwel. Dat hij eeuwige rust mag vinden in de schoot van vrede en liefde van zijn Schepper.

Wim Swüste