terug

IN MEMORIAM BR. JO (RIBRECHT) OOSTRUM

Br. Ribrecht is geboren op 7 maart 1926 in Schiedam.
Op 15 augustus 1946 legde hij in Maastricht zijn geloften af.
Hij overleed op 24 augustus 2013 in De Beyart te Maastricht.

“Eenvoud is het kenmerk van het ware”. Deze karaktertrek is in hoge mate van toepassing op het leven en werken van Br. Ribrecht, Johannes Martinus Jozef Oostrum.
In de periode van vijftien jaar onderwijsgeven in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs behaalde hij een groot aantal bevoegdheden op wiskundig en financieel gebied.

In 1967 werd onze congregatie in zelfstandige provincies ingedeeld. En de toenmalige generaal overste, broeder Avellinus Janssens, benoemde Jo met een vooruitziende blik tot overste van de communiteit in Schiedam. Dit huis werd daarna vrij snel aangewezen als bestuurszetel van de nieuwe Nederlandse Provincie.
Jo werd aangesteld als econoom en kon zijn oversteschap daarna, tot zijn opluchting, overdragen aan een ander. Tot 1994, dus een kleine dertig jaar later, zou hij deze functie met toewijding en plichtsbetrachting vervullen. Scherp in zijn oordeel, goed in zijn visie, beminnelijk en gentleman-like in de uitvoering van zijn taak. In de huidige financiële situatie zou zo’n man goud waard zijn geweest en hoog boven het maaiveld van zijn collega-financiers uitsteken.

In de startjaren van de Nederlandse provincie was het nog zoeken naar een eigen gezicht. En dat gold ook voor het financieel beleid en beheer. Jo verstond hierbij de kunst om op een vakmatige en voorkomende wijze zijn koers te varen: kritisch, to the point, maar vooral ook met een groot gevoel voor menselijkheid. “Jij gebruikte het beheer van geld en goed als een brug naar de ander,” zei broeder Toon Verkoijen bij het zilveren ambtsjubileum van Jo. “Over de brug komen is niet: er midden op blijven staan, niet aan het geld vastzitten. Vanuit jouw verantwoordelijkheid gaf je steeds aandacht aan elke mens, die je met je doelmatige en vakkundige zorg nabij kon zijn."

In die woelige jaren in Kerk en samenleving, werden kleine leefgroepen gevormd, werden grote communiteiten uitgedund, om in kleiner verband op eigentijdse wijze het religieuze leven gestalte te geven. Grote panden als Zevenaar, Amerfoort en Weert werden afgestoten. In Nijmegen, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Maastricht, dienden panden te worden aangekocht. “Jo wist hierbij op een charmante, maar niet mis te verstane wijze zijn mening te fomuleren. Bij onze bestuursvergaderingen was hij ons op financieel gebied tot wijze steun”, zei br. Remund Pennings eens over Jo. Op de provinciale kapittels verstond Jo de kunst om op een inzichtelijke wijze uitleg te geven van onze kosten en baten, een vaardigheid die menig econoom ontbeert.

Ook buiten de congregatie werd een beroep op zijn deskundigheid gedaan. De Konferentie Nederlandse Religieuzen nodigde hem uit om lid te worden van een aantal werkgroepen, waaronder de Kommissie Onderlinge Solidariteit, waar met respect naar zijn oordeel en advies werd geluisterd.

Hiernaast had Jo veel bezigheden buiten het financiële werkveld. In alle stilte was hij jarenlang betrokken bij de pastorale dienst van het Schieland Ziekenhuis. Hij werkte daar samen met dominee Philippse, verzorgde de audio-installatie en ging – tot verbazing van zijn Scheidamse huisgenoten – mede voor in de liturgische kledij van een subdiaken. “Ach, ik sta daar dan bij als een palmboomje, maar het oog wil ook wat, he.” Was zijn nuchter commentaar over onze verbazing. Het kwam ook geen seconde in hem op om in het voetspoor van zijn broer die als rector dienst deed in een groot Rotterdams ziekenhuis, te treden.

De vader van Jo was inkoper bij het vermaarde Erasmusrestaurant aan de Coolsingel in Rotterdam. “Daar kwamen havenbaronnen zich te goed doen aan drank en eten, op kosten van hun baas,” vertelde Jo met enige minachting in zijn stem. “Maar het restaurant was er goed mee. Dat moet óok gezegd.” Jo was een getalenteerde kok.
Hij kookte per toerbeurt in Schiedam en op vakanties voor zijn medebroeders- vakantiegangers. Op het gereed maken van het eten door anderen, kon hij zonder veel woorden kritisch zijn. Hij schraapte de paneermeel van zijn vlees, met een gezicht van ‘Hoe kun je nu zo’n mooi gerecht, zo verknoeien’. En als hij je aan tafel met enige stemverheffing vroeg ‘om die overheerlijke groente eens door te geven’ dan wist je meteen dat die kwalificatie niet echt op zjn plaats was. Overigens was Jo zijn huisgenoten en ook hier op De Beyart de medewerkers van de afdeling voeding, oprecht erkentelijk voor hun vakkundige inzet.

Om zijn kantoor en zijn steeds aanwezige zorgen over financiën te ontvluchten, zette Jo zich in voor het onderhoud van de tuin in Schiedam en Rotterdam. En om tot rust te komen beoefende hij op gewaardeerde wijze de schilderkunst. Landschappen, maar ook stadsgezichten die zich konden spiegelen aan het werk van de grootmeester op dit gebied Koekoek. In deze hobby bleek hij zeer precies en werkte hij vol overgave. In zijn atelier zou je nooit sporen van verfklodders aantreffen. Als je een terecht waarderend woord over zijn schilderijen liet vallen, pareerde hij dat met een wat glimlachend gezicht en haalde hij zijn schouders op. “Ach , een mens doet wat.”

In 1994 sloot hij zijn taak als econoom af en droeg hij die in het volste vertrouwen over aan br. Ton van Baaren. “Je hebt me op een bijzonder prettige wijze, aanvankelijk als boekhouder, daarna als jouw assistent en later als provinciaal econoom, me het vak goed geleerd. Daarna kon ik steeds op je deskundigheid terug vallen, wat ik erg waardeerde”, zei Ton tegen Jo bij gelegenheid van zijn gouden professie feest.

Broeder Jo Oostrum was een mens die niet met zijn gedachten en gevoelens aan de weg timmerde. Dat was ook het geval met zijn relatie tot de Heer, die Hij beloofde trouw te dienen. Het overviel me bij de uitvaart van Prins Friso, dat Jo eigenlijk veel van hem weghad: iemand met een geweldige bagage aan wijsheid, vriendelijkheid, geduld en inzicht, wat Jo zelden of nooit naar buiten bracht. Een stille kracht, ook in het oog van de Heer. Overigens namen ze allebei ook de tijd om afscheid te nemen van het leven. In het AZM hoorde ik hem zeggen: “Ik dacht op een gegeven moment dat ik écht dood ging. En dat vond ik helemaal niet erg. Ik vond het fijn om heen te gaan, mijn leven af te sluiten. Het is wel mooi geweest, zo”. Maar het was hem niet zo snel gegund als hij zelf wenste. Ook al was hij er – naar zijn eigen zeggen – ‘helemaal klaar voor’. Jo ging in alle rust van ons heen, omringd door welgemeende en verdiende liefdevolle aandacht van zijn familieleden – met name zijn zus – zijn medebroeders, lokaal bestuur en niet te vergeten de deskundige ondersteuning van onze medewerkers van de verzorging.

Dat deze goede mens nu de eeuwige rust mag ontvangen, waarna hij zo heel erg verlangde. We dragen hem met ons mee in zeer groot respect en genegenheid en houden hem in ere.

Wim Swüste

naar boven