In Memoriam Broeder Ton Postma

Hij is geboren op 10 juni 1925 in Amsterdam
Op 15 augustus 1946 deed hij zijn professie in de FIC.
Hij overleed op 20 juni 2015 in De Beyart, Maastricht.

Als je nou eens niét kon sterven,
zou je dan op zwemles gaan?
Van de hoge duikplan duiken,
zeilen zonder zwemvest aan?
Op de hoogste bergen klimmen,
op de smalste richels staan,
langs de diepste kloven lopen?
Was daar dan nog wél wat aan?

Het is een gedichtje van de auteur Bette Westra uit haar boek ‘Dood-gewoon’.
Ik kwam het van de week tegen.
En toen ik van het heengaan van Ton hoorde, heb ik het weer opgezocht.

Een gedichtje voor kinderen. Maar ook voor grote mensen om over na te denken.
Omdat we als mens leven in een zeer kwetsbare omstandigheid, is ons bestaan bijzonder. Dat kwetsbare en fragiele geeft kwaliteit aan ons leven.
Iemand vroeg zich af of je wel zou kunnen lachen als je niet kon huilen. Ik las: “Echte levenskunst bestaat niet uit het najagen van geluk, maar juist in het kunnen omgaan met geluk en ongeluk.”

Kwetsbaar door het leven gaan. Getekend zijn door een lijf dat niet optimaal functioneert. En dan zoeken naar een wijze balans tussen ongeluk en geluk. Dat was na een verblijf van anderhalf jaar op onze voormalige ziekenbouw St. Lidwina, voor Ton na 1948 – 1949 zijn nieuwe levensopdracht.

Mensen die langer in zijn directe omgeving hebben geleefd, weten dat Ton best wel tegendraads kon zijn, misschien soms ook overdreven kritisch. Maar kon je hem dat wel kwalijk nemen ? En was het niet geweldig als hij opgewekt, blij, belangstellend – wat hij ook best vaak kon zijn – je tegemoet trad?

Toen Ton gedoopt werd op 10 juni 1925 kreeg hij van zijn ouders – bij wijze van spreken - de namen van de helft van de aanwezige heiligen in de hemel met zich mee: Antonius, Henricus, Franciscus Maria. Wellicht dat ze hem tot steun zijn geweest in zijn lange, negentig jaar tellende leven.

Na zijn lagere school ging hij in september 1937 naar het juvenaat. Vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog in augustus 1945 ging hij het noviciaat in. Bij zijn professie in 1946 nam hij de naam ‘Servulus’ – de dienstbare – aan. De vijfde heilige die hem op zijn levensweg zou bijstaan.

Zijn professie deed hij samen met zijn één jaar jongere broer die de naam ‘Brunold’ kreeg. Deze zou rond de jaren zeventig afscheid nemen van de congregatie.

Toen de frisse wind van het Tweede Vaticaanse Concilie ook in de FIC ging waaien, deed Ton afstand van zijn kloosternaam. Hij wenste als Ton te worden aangesproken.

Ton werd na zijn eerste professie in Schiedam gestationeerd, in het huis aan de Warande. Binnen een maand bleek dat hij ernstig ziek was, en werd hij verzorgd op St. Lidwina in het Moederhuis in Maastricht. Hij had de pech dat de medische wetenschap nog niet erg ver was gevorderd. In de huidige tijd was hij vast en zeker beter geholpen, met veel minder ongemak erna. Meer dan twintig maanden verbleef hij ter verpleging in het Zuiden. Hij ging weer terug naar Schiedam, waar bleek dat zijn lichaam meer verzorging en hulp vereiste. Na vier maanden ging hij weer terug naar De Beyart en kreeg daar een baan op een lagere school, in de nabijheid van zorg en aandacht.

Na een omweg via Nijmegen, Wyck en Haarlem kwam hij terug in de Lage Barakken in Wyck, waar hij les gaf binnen het Voortgezet Lagere Onderwijs, later het Individueel Technisch Onderwijs, waar hij zijn inmiddels behaalde middelbare acte in de Engelse Taal en Letteren kon benutten.

Ton bleek op congregationeel vlak een onopvallende medebroeder. In de stormachtige zeventiger jaren maakte hij twee jaar lang deel uit van het lokaal bestuur. Ik weet niet of hij die functie met groot enthousiasme heeft uitgeoefend. Eenvoudig zal het niet geweest zijn, want de tijden waren toen in Wyck niet zo rustig, om het maar zacht uit te drukken.

Ik verbaas me erover dat er van Ton nauwelijks archiefstukken zijn gevonden van interviews met hem of berichten uit onze interne Mededelingen. Achteraf gezien is dat vreemd, want Ton was een interessante man. Hij bleek in persoonlijke gesprekken goed op de hoogte van ontwikkelingen in samenleving en Kerk. Hij had overal een mening over en die was nogal eens wat tegendraads. Maar tot heftige woordenwisselingen zal het niet gekomen zijn. Een uitzondering hierop was dat misschien, als het ging om zijn eeuwig durende strijd tegen het roken in zijn leefomgeving.
Na een lang verblijf op de Sterreschansweg in Nijmegen ging hij naar De Beyart. Hij was daar lid van de Ludovicus communiteit.

Met Ton kon je daar best aangenaam converseren. Hij bleek goed belezen, en wist vaak van de hoed en de rand. Bij gesprekken bleek hij een innemende man, die zijn waardering en dank uitte als je aandacht aan hem besteedde. Als je hem aansprak wanneer hij een tijdschrift of krant zat te lezen in de aula met zijn gezicht naar het raam, omdat hij het licht in zijn linker oog mistte, toonde hij zich een vriendelijk persoon, die aandacht voor je had, die je glimlachend te woord stond.

‘Echte levenskunst bestaat niet uit het najagen van geluk, maar juist in het kunnen omgaan met geluk en ongeluk.’ Ton was geen man die zijn ziel en zaligheid meteen aan je bloot legde. Misschien hebben we hem nooit in zijn diepste diepte kunnen raken. Maar de vraag is, of dat wel noodzakelijk is, als je in een gemeenschap leeft.

Elke mens heeft de vrijheid en het recht om geheimen met zich mee te dragen. Ton nam die vrijheid serieus en ging daar evenwichtig mee om.
Als we hem het gedichtje, waarmee ik zojuist begon, zou hebben voorgelezen, zou hij geglimlacht hebben. “Wat een leuk gedichtje! Waar heb je dat vandaan, Wim?” zou hij dan gevraagd hebben met z’n wat hesige stem.

Ton je wordt zeer bedankt voor de lange weg die je met ons bent gegaan, samen met al de heiligen die je begeleidden op die weg.
We vertrouwen erop dat je nu het eeuwige geluk mag beleven, waar je misschien tijdens je leven wel eens aan twijfelde. Jij weet nu dat dit écht bestaat.
Wij, die achterblijven, hopen dat geluk tegemoet.

Wim Swüste

( Ik heb me mede laten inspireren door ‘Speling’ 2015,2 ‘Momenten van schoonheid en geluk’.)

VOORBEDEN

LIEFDEVOLLE,

Uw geest van leven is in Ton tot gestalte en tot volle wasdom gekomen. U hebt hem voorzien van veel vermogens van hart, van geest en van handen. Ton heeft deze gaven volop gebruikt en zo U, de gever van dit alles, geëerd.
Voltooi nu dit prachtige werk in eeuwigheidsleven van deze goede mens.

LIEFDEVOLLE,

in uw liefde stimuleert U onze groei door de weerstanden, die het leven ons biedt. Ton heeft dit alles ook in ruime mate ondervonden en is uitgegroeid tot een krachtige en liefhebbende persoonlijkheid, blijvend open voor groei en rijping.
Laat de kwaliteit van zijn leven blijven doorwerken in de vele mensen, waarmee hij een band heeft gehad en waarmee hij ten diepste verbonden blijft.

LIEFDEVOLLE,

U hebt Ton een levendige geest geschonken, die hem zeer gevoelig maakte voor waar en niet waar, voor rechtvaardigheid en onrecht. Zijn kritische zin was vaak een bron van lijden voor hem, een worsteling om de juiste weg te vinden.
Wij vragen U, geef Ton nu het licht en de rust waarnaar hij hunkerde, zodat hij nu in vreugde en vrede met U verbonden voortleeft.

LIEFDEVOLLE,

Wij, die hier samen zijn rond het gestorven lichaam van Ton, mogen met ónze gaven en opgaven voortgaan op de weg, waarvoor U ons toerust en die U aan ieder van ons toevertrouwt.
Wees ook voor óns een bron van licht en bemoediging, zodat wij vol vertrouwen ons leven volop leven tot Uw eer en tot geluk van ons en vele anderen.

Dat alles vragen wij U in dankbaarheid en vol vertrouwen door Jezus Christus, Uw Zoon en onze Broeder en Heer.
AMEN !