IN MEMORIAM BR. TON SIMONS

“Hoe mooier de herinneringen, des te moeilijker is de scheiding.
Maar dankbaarheid verandert de pijn der herinnering, in stille vreugde.”

Deze gedachten van Dietrich Bonhoeffer, een Duitse dominee en verzetsstrijder, hoorden we zojuist in de eerste lezing. Ieder die in deze kapel verblijft, of op de huistelevisie de uitzending volgt, heeft bij het leven en werken van broeder Ton Simons haar of zijn eigen herinneringen.
Ton heeft een leven van ruim tachtig jaar achter de rug. Hij zou volgend jaar herdacht hebben, dat hij zestig jaar onze medebroeder was. Een lang, rijk en gevarieerd leven achter de rug. Bij ons allemaal leven veel herinneringen aan hem, zeker wanneer we nu ons Ton voor de geest halen, in zijn goede en zwakke momenten. Dat doen we, met respect en met pijn in het hart, nu hij voor het laatste in ons midden is.

Ton zag het levenslicht in Schiedam. Zijn oom Paternus Kloos, een sjiek ogende medebroeder van ons, kwam daar regelmatig ben hen thuis op bezoek.
Blijkbaar werd Ton door hem én door de broeders van school aangetrokken tot het broederleven. In 1952 meldde hij zich aan bij de broeders en volgde de schildersopleiding aan de vakschool aan de Tongseweg in Maastricht. Eduardo Goets leerde hem dat vak,waarbij bleek dat Ton een heel precieze wijze van werken had. Op het juvenaat was ook vaak gelegenheid om, naast de vorming en opleiding, gezellig feest te vieren. Er werden revues gespeeld, gezongen en muziek gemaakt, bij overstenfeesten. Ton vormde samen met Appie Cox en Jan Limpens het ‘Laddertrio’. Samen met Jan zorgde hij voor de zang, op de muziek die Appie had gecomponeerd. Feestvieren, genieten van alle goeds eromheen, was op het lijf van hem geschreven. Ik herinner mij nog goed, dat we op De Beyart, het jubileumfeest van Alfonso John vierden. Deze broeder was adviseur bij de aanschaf van olieverwarming in onze kloosters. Ton trad bij een sketch over Alfonso, als haremmeisje op, compleet met een sluier, half onder zijn ogen, en gehuld in een lang gewaad.
Ik maakte toen ook deel uit van dat harem rond de ligstoel van de oliesjeik Alfonso.We hadden veel plezier met elkaar en succes met ons optreden.
Mooie herinneringen aan feestvieren in de goede ouwe tijd.

Na zijn eerste professie in 1959 nam hij de naam Henrico aan. Hij werd hij lid van het onderhoudsteam in De Beyart. Onder leiding van Winolt Lodder werd degelijk en hard gewerkt.
In 1974 mocht hij naar Mirando de Ebro, waar we een juvenaat hadden.
Ton werd aangesteld als onderhoudsman en surveillant.Noud Fonken, die met hem in Marianda verbleef en jarenlang met hem in de Overkantcommuniteit woonde, vertelde me dat hij het surveilleren ernstig opnam. ‘Hij hield een wakend oog over de jongens, keurig in het pak met een stropdas. Soms met een sigaar in de mond. Het was ‘n waardige verschijning en de jongens konden goed met hem overweg. Als leider bij het sporten van de juvenisten, gooide hij hoge ogen. De Spaanse taal beheerste hij wel niet volmaakt, maar hij kon wél duidelijk maken,wat hij wel en niet goed vond.”

In 1981 repatrieert hij naar Nederland en krijgt een functie binnen het gastenteam in De Beyart. Hij werkt daarin goed samen met Edward Bloetjes, Karel Geboers en Guido Wigman. Later nog met de dames Lie Bastian en Ans Beckers. Hij verricht dit werk 13 jaar, de laatste jaren als eindverantwoordelijke.
“Ton was het visitekaartje van De Beyart, “vertelde Noud me. “Hij kende de gasten allemaal bij hun naam en was zeer gastvrij en voorkomend. Hij gaf onze gasten het oprechte gevoel dat ze welkom waren” Dit werk rondt hij af in 1998.

Op de Beyart Offsetdrukkerij, kreeg hij de taak om onze FIC-uitgaven te verzenden. Dat betrof de verzending van ‘Gedachten en gebeden’, ‘Dagteksten’, en veel ander materiaal van de Werkgroep Gebed, en de tijdschriften ‘Berichten Broeders van Maastricht’ en “Oriëntatie FIC’ . De verzending van het laatst genoemde orgaan, verrichtte hij nog tot voor kort. Het was werk dat precies bij hem paste. Het vereiste: ordening, accuratesse en goede organisatie. Alle enveloppen op postcode geordend, in de juiste enveloppen, in aparte dozen voor de bezorging op het centraal postkantoor aan het Vrijthof.
Je moest hem niet van zijn ordeningsritme afbrengen, want dan brak er lichte paniek uit. Alles op zijn vaste plaats, zijn vaste gang, in hetzelfde tempo.

Hij was lid van de communiteit Overkant. Naast zijn werk op zijn kantoor, vervulde hij enkele vaste taken, waaronder het ophalen van de post bij de receptie en het uitdelen ervan in de postvakjes. Hij woonde trouw de lokale beraden bij en had vaak constructieve bijdragen. Hierbij kon hij ook best, kritische opmerkingen naar voren brengen. Elke morgen en avond woonde hij de gebedsvieringen bij in de eigen kapel. Regelmatig was hij daar ook voorganger.
Ton was geen man die de grote Beyartkapel plat liep. Op zijn kamer volgde hij de zondagsvieringen op de televisie. Over zulk soort zaken wilde hij niet aangesproken worden. Hij bewaarde veel van zijn gevoelens, diep in zijn eigen hart.

Bij feesten had hij in de recreatieruimte, altijd een geestige en vaak originele voordracht. Hij hield van gezelligheid, was een goed communiteitlid en toonde zich behulpzaam en meelevend.

Hem werd lichamelijk leed niet bespaard. Hij had vaak veel lasten van klein en groot lichamelijk ongemak. Dan sloot hij zich wat af, en wist zich daarna te hervinden. “In ieder leven, dat belangeloos en eerlijk wil zijn, komt Calvarië voor.” zei eens een wijs mens.

Ongeveer twee jaar geleden ontving hij het slechte nieuws dat hij ongeneselijk ziek bleek.Dat was voor hem en de mensen om hem heen, een zware klap.
Hij werd na dit bericht omgeven door warme zorg. Mede daardoor wist hij zijn ernstige situatie met blijmoedigheid te dragen. Het Team FIC, de medewerkers van de facilitaire dienst en de verzorging, familie en medebroeders, omringden hem met oprecht meeleven. Als je hem bezocht kon hij best wel openhartig zijn en eerlijk over zijn situatie te spreken. Hij vertelde dan dat hij niet opzag tegen de dood en dat hij een mooi leven had gehad. Daar was hij heel dankbaar voor.

Ieder die Ton met zorg omringde, gaf gestalte aan wat Huub Oosterhuis eens schreef:
“Zend mij de engel van de laatste troost: De warme ogen van een mens.
Onthoud mij niet een mens die zegt: Hier ben ik.”

Op 17 april rond acht uur in de morgen, drukte Ton op de noodbel in zijn kamer. Bij binnenkomst van de haastig toegesnelde verpleegkundigen bleek hij helaas al aan een hartstilstand te zijn overleden.

Herinneringen aan zijn mooie leven passeerden nu de revue. Herinneringen die vaak heel vreugdevol, soms ontroerend, soms wat pijnlijk, aan ons voorbij gingen. Straks zullen die nog worden aangevuld door zijn broer Pieter.
Ton was een goed mens, die zich soms misschien ook wat miskend voelde. Maar die, ondanks dat gevoel, toch voluit in staat was waardering, vriendschap, goedheid en dienstbaarheid ten toon te spreiden én terug mocht ontvangen.

Dat hij in vrede mag rusten in de nabijheid van de Heer, die hij op zijn geheel eigen wijze, trouw wist te dienen. Goede Ton, onze dankbaarheid ten opzichte van jou, verandert de pijn der herinnering, in stille vreugde.

( Wim Swüste FIC )


VOORBEDEN TIJDENS DE UITVAART

Liefdevolle, U hebt Ton toegerust met veel gaven tot dienstbaarheid.
Met zijn vaardigheden heeft hij vele jaren en op verschillende plaatsen zorg gedragen voor het welbevinden van jongere en oudere medemensen.
Laat zijn voorbeeld ook óns stimuleren om met de gaven die óns geschonken zijn anderen ruimhartig van dienst te zijn.

Liefdevolle, wij vragen uw zegen speciaal over de jonge mensen, die Ton in de internaten van Amersfoort en van Miranda de Ebro door zijn praktische dienstbaarheid, maar ook door zijn vriendelijkheid en zijn muzikale gaven góed heeft gedaan. Moge het hen gegeven zijn om na die vormingsperiode als gelukkige mensen voort te gaan.

Liefdevolle, de inzet en zorgvuldigheid van Ton heeft er toe bijgedragen, dat velen geprofiteerd hebben van de rijkdom van verschillende van onze tijdschriften, zowel op het terrein van gebed en bezinning alsook op het vlak van inspirerende informatie. Moge ook die toewijding van Ton in velen vruchtbaar zijn geweest.

Liefdevolle, gastvrijheid mogen wij beschouwen als verwelkoming van Uzelf. Wij bevelen u daarom ook al die mensen aan, die Ton als gastenbroeder verwelkomd en gediend heeft, zowel bij feestelijke als bij droevige gebeurtenissen. Mogen zij allen daardoor wat extra verbondenheid, troost en bemoediging ervaren hebben.

Liefdevolle, Ton was duidelijk verbonden met en betrokken op zijn familie. Hij heeft zich ook op zijn eigen manier ingezet voor een goede leefbaarheid van zijn medebroeders hier in Maastricht. Wij danken u voor wat U in hem voor ons als zijn medebroeders betekend hebt. Help ons om hem in dankbaarheid te blijven gedenken.

Liefdevolle, neem nu ook Ton voorgoed op in de vrede en het geluk, dat U ons allen toezegt. Moge ook hij nu voor ons een voorspreker zijn.
Dat alles vragen wij u vol vertrouwen, door onze Broeder Jezus Christus en door Maria, de patrones van onze Congregatie.

AMEN.

(Johan Muijtjens FIC)