Br.Victimus Adriaanse
Reinier Franciscus

Victimus is geboren op 19 juni 1917 in Waalwijk. Door het afleggen van zijn geloften verbond hij zich als broeder Victimus aan de Congregatie van de FIC op 8 december 1935. Hij overleed op 12 november 2010 op De Beyart te Maastricht.

De wijze Jezus Sirach vraagt zich af: Wat is de mens, waar dient hij toe? Victimus zou hem als antwoord gegeven hebben: Nuttig zijn voor mensen.
En zo kennen wij hem. Zorgzaam, in de tijd dat hij kok was en er het beste van wilde maken voor zijn medebroeders. Zorgzaam als groeps-leider op het Instituut voor Doven om er voor te zorgen dat deze gehandicapte kinderen ook een echt thuis hadden. Zorgzaam voor de medebroeders in Vlijmen en voor de parochianen, die veel vertrouwen in de broeders hadden, omdat de pastorie bewoond was en de broe¬ders altijd klaar stonden.

Zorgzaam in Helmond als oprichter van een badminton vereniging. We hoorden in het evangelie Jezus zeggen: Wie mij dient moet mij volgen: waar ik ben zal ook mijn dienaar zijn en wie mij dient zal door de Vader geeerd worden. Wie mij dient, en Victimus geloofde dat Hij daar was, in de medebroeders, in de dove kinderen in het instituut, in hun ouders, die hem een geweldige groepsleider vonden. In de sporters in Helmond kwam hij Hem tegen.


In de mensen van Vlijmen, ontmoette hij de Heer en hier in De Beyart bespeurde hij Zijn aanwezigheid. Victimus1 omgang met de Heer was een vanzelfsprekendheid. Bij Hem was hij thuis. Ja, misschien nog meer bij de moeder van de Heer, Maria. Victimus reisde naar Lourdes en Medjugorje. In haar handen had hij zijn leven gelegd. Met haar moederlijke goedheid beschermde zij hem. Zij gaf hem de warmte en het geduld om met anderen om te gaan. Haar voorbeeld als moeder van Jezus hielp hem in de omgang met de jon¬gens van het instituut. Zij beschermde hem, toen hij van de ene dag op de andere groepsleider werd bij twintig dove jongens. Toen hij bij die jongens kwam, zag hij een broeder aan een tafeltje zitten en dacht: O, gelukkig, er is al iemand die me kan helpen, en hij zei: Ik ben hier nieuw, zeg maar wat ik moet doen. De ander zei tegen hem: Dat ben ik ook. En dan zegt hij: Daar zaten we beiden, met de handen in het haar. Langzaam maar zeker ontdekte hij, dat het succes niet zat in orde en discipline, maar in omgaan met de kinderen als in een gezin, voor zover dat mogelijk was.

Hij was geliefd bij de jongens. Zo vertelde iemand me, dat hij ziek te bed lag en de ziekenbroeder Damascenus de jongens verbood bij Victimus op bezoek te gaan. Hij hield ze tegen. Maar de jongens hadden er iets op gevonden. Een paar hielden Damascenus aan de praat, zodat anderen stiekem Victimus konden bezoeken.
De zorgzaamheid van Victimus strekte zich uit tot diep in de nacht. Van het Instituut voor Doven en uiteindelijk tot in De Beyart controleerde hij alles opdat het veilig was. Uitgerust met zijn lantaarn onderzocht hij sloten, opende ramen om de omgeving te inspecteren en deed ze secuur weer dicht. Vroeger deed hij dat in gezelschap van zijn hond, hier in De Beyart tenslotte met zijn scootmobiel. Hij reed de kapel binnen om te kijken of de sleutel niet op het tabernakel was blijven zitten. En mocht er ergens in de nacht nog licht branden, terwijl iedereen verondersteld was te slapen, dan belde hij op. Het was een gewoonte van hem geworden, een gewoonte uit zorg om de ander.

Jezus Sirach doet in zijn wijsheid, alsof het leven niets voorstelt als hij zegt: Als een druppel uit de zee, als een korrel zand is dat luttel aantal jaren op de eeuwigheid.
Wij die hier samenzijn rond Victimus en zijn overgang naar het eeuwig leven vieren, doen dat niet vanwege de tijd dat hij hier was, maar vanwege de wijze waarop hij die tijd met ons invulde. Een dierbare mens met het hart voor de ander op de juiste plaats, zoals moeder Maria hem nabij was. Betrokken was hij bij zijn medebroeders om er met hen het beste van te maken. Zo heeft hij dat luttel aantal jaren geleefd, als een mens in wie Gods aanwezigheid zichtbaar werd.

Br. Kees Gordijn