KOM MAAR MET DE HANDJES

belevenis en overweging van een kinderpottenbakker

Kom maar met de handjes. Hoe dikwijls heb ik dit al gezegd tegen kinderen. Tijdens mijn laatste vakantie in België wel 475 keer. In de jaren er voor wel duizenden keren. Kom maar met de handjes, wat wil je maken? Que veux tu faire? Potje, vaasje, schaaltje, kandelaar, beker, eierdop, wijnglas, olielampje, asbak, wedstrijdbeker, bijenkorf, je zegt het maar. O, een potje met een dekseltje. Dat had ik niet genoemd. Vooruit dan maar. Daar gaan we dan. Hoe viezer, hoe mooier.

Met mijn rechterhand pak ik de beide handjes en met mijn linkerhand trek ik de wand omhoog. En dat zien ze niet. Kijk eens hoe goed je dat kunt? Blikken vol bewondering. Heb ik dat gedaan? Ja, helemaal zelf gedaan. Knap hoor. Ik knipoog even naar de ouders die belangstellend staan te kijken. Haal nu het touwtje er onder door, dan kun je je potje er af halen en meenemen. Een rond plakje klei blijft op de schijf achter. Schrijf hier je naam maar op, dan weet ik hoe je die schrijft. Je naam is namelijk erg belangrijk, dat ben je zelf.
En nu handjes in de emmer afspoelen en wegwezen. Volgende slachtoffer.

Uit een rij van meer dan tien wachtenden komt het volgende kind, en dan weer een en weer een. We gaan door tot alle kinderen op zijn. Ik zelf ben dan ook op van vermoeidheid, maar wel voldaan, omdat veel kinderen trots met een eigengemaakt werkstukje naar huis zijn gegaan.

De handjes zeggen veel over een kind. Soms voel je de spanning en tegenwerking, dan weer de gewilligheid van ‘doe maar, je helpt me toch’. Ook houd ik wel eens misvormde handjes vast, met twee of drie vingertjes. Een keer zelfs helemaal geen handjes, alleen twee stompjes. Nou, dan pak je die toch vast. De blinde dame die het ook eens wilde proberen liet ik eerst de schijf betasten. Toen de schijf langzaam ronddraaien. Dan een bonk klei erop. Nog eens tasten. En met veel geduld kwam ook daar een potje uit.

Een gehandicapte jongen werd van de rolstoel op het krukje gezet. Hij kon maar één arm gebruiken, en naar voren kijken kon hij niet, alleen opzij. Voorzichtig laat ik zijn ene handje voelen wat er gebeurt. Dan krijg ik de bekoring om de kleimodder te pakken, de armpjes in te smeren en te zeggen: ‘kom beweeg je, je kunt weer alles’, maar dat durf ik niet. Ik ben Jezus niet. Mijn geloof heeft nog niet de grootte van een mosterdzaadje. Jammer voor het ventje.

Al die belevenissen brengen mij als religieus en denkend mens vanzelf op de gedachte, dat met velen van ons ook zoiets aan de hand is, alsof de Grote Pottenbakker mij aankijkt en zegt “kom maar met de handjes, je kunt het”. En dan ben ik verbaasd over het resultaat. Ben ik daartoe in staat? Hoe is het mogelijk.

Velen van ons hebben zich bij gelegenheid van een jubileum of anderszins horen prijzen over de inzet van een jarenlang kloosterleven: onderwijs, ziekenverzorging, huishoudelijk werk, bestuur, enz. Het valt ook niet te ontkennen, er is veel goeds gebeurd. Maar net als de kinderen aan mijn pottenbakkersschijf beseffen we heel goed dat wij uit onszelf weinig kunnen. Het is maar goed dat iemand onze handen vast houdt en blijft zeggen ’hou vol, met Mij kun je het’. En als het ooit mislukt, laat Hij me opnieuw beginnen, tot het wel lukt.

“Als gij niet wordt als kinderen …”
“Jullie zijn onnutte knechten. Zonder Mij kun je niets..”
Daarom, blijf mijn handen vasthouden, laat me niet los.
En dat ik dan ooit vol bewondering mag opzien naar het werk van onze handen - en zien dat het goed was.

Br. Roland Heeren