Gesprek met nieuw bestuurslid Gerard Langelaan

maart 2019

“IK VOEL ME GOED OP MIJN PLAATS”

Het kwam voor Gerard Langelaan niet als een donderslag bij heldere hemel: zijn nieuwe taak om als bestuurslid van het Religieus Huis Nederland te gaan werken. “Ik hield er al een beetje rekening mee, maar ‘ik ging er niet voor’ om bestuurslid te worden. Al bijna een jaar functioneer ik namelijk als hulp voor het Team FIC. Daarbij had ik al heel prettig en open contact met medebroeders in De Beyart. Ik had dus al wat bekendheid en goodwill opgedaan. Toch was ik, toen bij het overleg op het ‘Beraad’ over de keuze van bestuursleden mijn naam viel, best wel zenuwachtig. Toen ik uiteindelijk gekozen was, voelde ik me erg aangedaan en ontroerd. Het vertrouwen in mijn persoon deed warm aan en gaf voor mij de doorslag om op deze uitverkiezing dankbaar en gemeend ‘ja’ te zeggen. Ik vind deze nieuwe taak eervol.”

Eerste ervaringen

“Ik ben nu vanaf medio november 2018 bestuurslid. Mijn werk vind ik niet ‘spannend’ in de zin dat de verantwoordelijkheid zwaar op me drukt. Maar ik ben wél onder de indruk van de omvang van onze taak. Het is veel leeswerk, meer dan ik dacht. Er worden best wel grote beslissingen genomen en dan realiseer ik me heel goed dat het om ménsen, medebroeders, gaat. Mensen die kwetsbaar zijn geworden na jarenlange inzet voor anderen. Mensen die bergen werk hebben verzet om datgene, wat Mgr, Rutten en br. Bernardus hebben gestart, verder voort te dragen. Het is ook heel interessant om kennis te maken met het bredere veld van religieus leven in Nederland, zoals ik bijvoorbeeld op de ‘Dag van het religieus leven’ onlangs mocht ervaren.
We vergaderen als bestuur eens in de maand en werken dan een forse agenda af. Bij mijn taak – waarin ik het ontmoeten van medebroeders als voornaamste taak zie – voel ik me niet zenuwachtig of gespannen. Omdat ik geheel ‘nieuw’ naar mensen en situaties kijk, kan ik onbevangen vragen stellen. Dat houdt mijn collega’s misschien weer wat ‘bij de les’. Het ligt niet in mijn aard om drammerig te zijn of om zaken door te drukken. Vragen stellen is een gezonde manier om goed op de hoogte te worden gebracht.
De sfeer op onze vergaderingen is open en goed. We gaan gemoedelijk met elkaar om, maar blijven wél zakelijk.
En tot mijn vreugde staat voortaan de koffiepot al bij het begin van de vergaderingen op tafel.”

Omgaan met mensen en problemen

“Na mijn koksopleiding in de congregatie mocht ik voor diëtist gaan studeren. Ik heb dat vak achtendertig jaar in Den Haag mogen uitoefenen. Daar was ik voor tien verpleeg- en verzorgingshuizen met een zelfstandige keuken ‘adviseur levensmiddelen en hygiëne’. Bij verbouwingen mocht ik suggesties aandragen, kon helpen om personele problemen op te lossen en adviseerde ik bij het doen inkopen voor grootverbruikers. Tevens had ik toezicht namens de gemeente Den Haag bij het verstekken van duizend maaltijden die per dag aangeleverd werden. Ook was ik nauw betrokken bij de opleiding van keukenpersoneel. Vanuit mijn functie werkte ik mee aan de totstandkoming van de Hazzup-wet voor de juiste naleving van de hygiëne in verzorgingshuizen. Deze wet functioneert tot op heden nog steeds, dus ook in De Beyart.

In dit werk had ik veel contact met bewoners van zorginstellingen en kon ik hen persoonlijke adviezen geven. Ik had veel gesprekken met ouderen en deelde met hen in hun vreugde en verdriet. Goed te eten krijgen is voor hen van groot belang. Het is dan goed dat je onbevangen naar hun klachten en problemen luistert. Dat vraagt veel geduld van je en leert je om te kunnen relativeren. Voor mij was dat een zeer goede leerschool om oog en oor te hebben voor mijn ouder wordende medebroeders.”

Zorg voor ouders

Gerard Langelaan is in 1950 geboren. Met zijn ouders had hij een sterke band. Vader was melkboer en werkte hard voor zijn grote gezin. In 1975 legde Gerard zijn geloften af bij de Broeders FIC. Hij was toen lid van de communiteit in Den Haag.
In oktober 1998 kreeg hij verlof om uitwonend lid van zijn leefgroep te worden.
Op dit moment is hij lid van de communiteit Westeinde.
De vader van Gerard overleed in 2009. Zijn moeder leed erg onder dit verlies en begon aan geestelijke veerkracht in te boeten. Gerard nam in die jaren de zorg en aandacht voor haar op zich. Vanaf 2013 tot haar overlijden in 2015 woonde hij bij haar in haar woonflat.
“Ik heb altijd met mijn moeder een intensief contact gehad. Ze was een fideel lid van de katholieke kerk. Het geloof betekende alles voor haar. Ik ben heel dankbaar dat ik tot aan haar heengaan haar in haar eigen huis mocht verzorgen. Van de congregatie kreeg ik verlof om een jaar eerder met mijn werk te stoppen om steeds bij haar te kunnen zijn. Voor haar was dat een zegen en voor mij een grote leerschool om met dementerende en lichamelijk verzwakte mensen om te gaan.

Je moeder voedt jou op. En als ze oud wordt, geeft ze jou alle vertrouwen in wat je tegen haar zegt, hoe je haar helpt en hoe ze haar ‘aftakeling’ ondergaat. Mij heeft dat een zeer rijk gevoel gegeven en maakte mij tot een beter mens.
Zo’n gevoel heb ik ook heel sterk met onze congregatie: zij gaf me de ruimte en de gelegenheid me te vormen en als mens te groeien. Dankbaar ben ik voor die steun en in mijn nieuwe taak ben ik in de gelegenheid daarvoor wat ‘terug’ te doen.”

Waar ben ik aan begonnen?

“Dit is helemaal geen vraag uit wanhoop, hoor! Het brengt alleen veel verandering in mijn leven en dat vraagt om aanpassing. Na het overlijden van mijn moeder had ik behoorlijk wat tijd nodig om zaken te regelen en weer ‘bij mezelf te komen’.
Toen kwam er een periode waarin ik een gevoel van vrijheid had. Ik nam het besluit om mijn diensten aan te bieden voor broeders in De Beyart, hetgeen erg op prijs werd gesteld. Ik had gesprekjes met broeders die zich wat eenzaam voelen, ik bracht mensen naar het ziekenhuis en maakte tochtjes door het Limburgse land. Ik ben een paar keer met een broeder naar de bioscoop gegaan, waarmee ik hem – in de eindfase van zijn leven – een mooie dienst bewees. Ik logeer, als ik in Maastricht ben, in de communiteit aan de Capucijnengang en heb daar een eigen kamer.

Bij mijn medebroeders bemerk ik dat er een goede betrokkenheid op elkaar is. Ze doen boodschapjes voor elkaar, halen fruit op de markt, helpen in de kopieerafdeling en in de Beyartwinkel, begeleiden elkaar bij uitstapjes of bij het bezoek aan de Schark op zaterdagmiddag. Ondanks ons ouder worden bewaren we de onderlinge hartelijkheid en aandacht voor elkaar. Ik vind dat ontroerend.
Bij bezoeken op hun kamer merk ik dat ze vaak over hun ouders spreken. Bijna iedereen heeft een foto van hen op het bureau staan of aan de muur hangen. Velen geven Maria een grote plaats in hun leven en ze bidden de rozenkrans. Dat geeft allemaal aanleiding tot een goed gesprek.”

Bestuurstaken

“In het bestuur zijn de taken verdeeld. Aan mij is de zorg voor ons kerkhof aan de Anjoulaan in Maastricht gegeven. Ik houd ook een oog op de plaatsen waar in ons land broeders hun laatste rustplaats hebben. De aandacht voor de broeders in het westen van Nederland is een belangrijke opdracht voor mij: uitwonenden en de communiteiten van Den Haag, Vlaardingen en de Prins Bisschopsingel in Maastricht bezoek ik. Verder ben ik lid van een aantal werkgroepen en woon ik de maandelijkse bestuursvergaderingen bij.
Mijn werk is om ouder wordende medebroeders tot hun recht te laten komen: hen een luisterend oor te bieden en hen te laten weten dat ze van grote waarde waren en nog steeds zijn voor onze gemeenschap.”


Wim Swüste.