Veertigdagentijd

De veertigdagentijd herinnert ons aan het Joodse volk dat door de woestijn trok. Vanuit Egypte waren ze op weg naar het land dat beloofd was. Veertig jaar trok het volk, vertrouwend op het woord van de Heer naar dat nieuwe land.

Het vertrek uit Egypte vraagt om heroriŽntatie. Het leven gaat er immers anders uitzien. Ze zijn geen slaven meer, maar groeien naar een nieuwe positie van vrije mensen. Daarvoor gaan ze op weg naar een nieuw land. Er ligt een weg door de woestijn naar dat land. Het is een levensweg, een tijd om te groeien van slavernij naar vrijheid. Een tijd om los te laten en alles wat die vrijheid zou kunnen belemmeren van zich af te schudden.

Dat proces gaat niet van de ene dag op de andere. Oude gewoonten laten zich niet zomaar verdringen, dat vraagt om oefening. Daarvoor moet je wel vertrekken, loslaten om dat bevrijdende tegemoet te gaan. Dat is ook durven loslaten als het nieuwe er nog niet is. Zowel dat loslaten als het aanvaarden van het nieuwe is een heel proces. Een proces waarin leegte wordt ervaren, want met het loslaten vam het oude is het nieuwe er nog niet. Dat moet nog ontdekt worden. Verspieders worden uitgezonden en na hun verhaal over dat nieuwe land blijft het volk in de woestijn. Ze zien op tegen de gevaren die hun verteld worden.

Na veertig jaar zo rondgetrokken te hebben, is er een nieuwe generatie die de uitdagingen aan wil gaan en dat land wil ontdekken.

Mogelijk geeft die veertigdagentijd ook ons de gelegenheid om rond te trekken door ons eigen leven en opnieuw naar onze werkelijkheid te kijken en dankbaar te zijn voor de ervaringen die het leven ons gegeven heeft.

Die ervaringen, mooie en vervelende, of hele trieste, bevinden zich in onze bagage, waarmee we opgaan naar Pasen. Naar het feest dat ons vrijmaakt om op te staan en als nieuwe mensen, welke leeftijd we ook hebben, de toekomst tegemoet te gaan, Hem achterna.


Kees Gordijn

maart 2019